Een heel gewone dag.
Het is een heel gewone dag op Chirurgie. Iedereen is plezierig bezig. Op deze afdeling heerst vaak een fijne sfeer en dat is lekker werken. Natuurlijk zijn er regelmatig ernstige situaties, zware operaties, veel verdriet, angst en dan opluchting of de vaak lange weg van de acceptatie.
Mevrouw Weinand is gisteren opgenomen, op bed 6, dat betekent de kamer in, eerste bed rechts. Ik heb haar gisteravond al even gezien en gesproken. Ze is ongehuwd, gepensioneerd onderwijzeres, ergens achter in de zestig.
Ze komt voor iets dat voor chirurgie haast een routineklus is en al helemaal niet spectaculair. Zij heeft een lipoom, een vetgezwel, vlakbij haar oksel en dat ding zit gewoon in de weg. Is niet gevaarlijk, maar lastig. Ik maak haar klaar voor de OK. Dat betekent eventuele haartjes wegscheren, wassen en een OK-hemd aan. Ze wordt al vroeg geholpen, dus om 8 uur ligt zij klaar op bed en wordt ze naar de OK gereden. We groeten elkaar wat joviaal vriendelijk. Hoewel het niks voorstelt, qua ingreep, zie ik toch iets in haar ogen dat ze wat op scherp staat. Mijn welgemeende en, mijns inziens terechte, geruststelling heeft niet het verwachte effect van toenemend vertrouwen in wat komen gaat.
Een dik uur later gaat de telefoon op kantoor. Het is de OK, mevrouw Weinand kan worden opgehaald. Eén van mijn collega’s heeft die taak en even later wordt mevrouw Weinand op haar eigen plaats, bed 6, teruggezet. Nog wat dizzy, maar verder oké. Operatie geslaagd.
15 minuten later staat haar hart stil.
We zien het gebeuren en we grijpen in met alles wat we kunnen. Cardiologie is op meters afstand en is er zo bij.
Wat we ook doen, het baat niet. Mevrouw Weinand overlijdt.
De maatschappelijk werker gaat die middag met de huissleutel van deze alleenstaande mevrouw op haar huisadres naar binnen. Zij treft een uiterst opgeruimd huis aan. Er is niets dat niet af is. Er is geen was, geen afwas, het bed is afgehaald, en…er ligt een stapeltje nette kleding klaar op bed met daarbij een briefje. Daarop staat geschreven dat zij wist dat zij niet in dat huis zou terugkeren. Zij wist dat zij zou sterven. Het zijn aanwijzingen met betrekking tot verdere afhandeling van haar eigendommen, relaties en haar begrafenis. De toon van schrijven ademt rust, aanvaarding. Een innerlijk weten.
Het is voor mij een indrukwekkende ervaring die veel toevoegt aan mijn ervaringskennis.
Nooit zomaar aannemen hoe iemand iets, dat zogenaamd gemakkelijk is, tegemoet ziet en tegemoet gaat. Ruimte maken om het daar al of niet over te hebben, als dat door de persoon gewenst wordt. En dat dan uitpeilen bij kennismaking.
In dit geval vermoed ik dat zij het niet heeft willen delen. Iets in mij zegt dat ze ook wel wilde gaan. Het was klaar.
zegt:
Reanimeer-meisje
oplossingen te roepen. Alles mag worden uitgekraamd. Als na enkele suggesties een collega, vooral uit balorigheid, roept: ‘het zou het beste zijn als de ouders zouden overlijden’ en we na een inventarisatie alle opmerkingen doorlopen, haken we op deze uitspraak. Wat staat er eigenlijk? Wat er eigenlijk staat is dat we misschien willen dat de ouders een tijd niet komen, in plaats van trouw elke week. Wat zou dat voor ruimte kunnen geven? Maar hoe communiceer je dat op een manier dat deze ouders zich niet weggezet voelen?
Je hebt je niet met diagnoses te bemoeien en al helemaal niet met mededelingen hierover aan de patiënt. Dat soort mededelingen doen is voorbehouden aan de arts. En de arts van deze patiënt staat bekend als een zeer gelovig mens die in alles de Hoop overeind wil houden. In zijn visie wordt iets als Hoop getorpedeerd door de waarheid dat je kanker hebt. Dus nee, die informatie krijgt deze patiënt niet. Niet van de dokter, dus ook niet van mij, omdat dat streng verboden is.
