Het is eind maart 2026 en ik stap voor de zoveelste keer uit de Familie-app. Ik heb al langer onprettige, vaak intense fysieke sensaties met betrekking tot de communicatie in deze app. Voor mij is het zo dat de oude gezinsstructuren, en dito stromingen van allerhande gevoelens van alle participanten, zich nog steeds en voortdurend in het app-verkeer doen gelden. Lijnen van sym- en antipathie, dominantie en (sub-) agressiviteit, afijn, alle smaken zijn vertegenwoordigd. Er is regelmatig oprechte hartelijkheid en soms is hartelijkheid de verpakking en vermomming van andere, minder plezante, boodschappen.
Het lastige is dat er een soort code is om dat soort belevingen niet in de openbaarheid te brengen en openlijk aan te kaarten. Het lijkt er ook wel op dat niet iedereen in de gezinsstructuur, en in de app, er problemen mee heeft. Ook hier lijkt ‘Het is nou eenmaal zo’ opgeld te doen en is het gewoon iets dat ‘ je je niet zo aan moet trekken, het is ‘die en die’ maar. Dus ja…. Ik trek me vaker terug uit de app, terwijl ik dus ook periodes lustig mee doe. Een aantal deelnemers weet dat ook en krijgt vermoedelijk de indruk dat ik er dan tijdelijk weer eens uitstap als ik me teveel erger. En weer terugkom. Zo gaat het namelijk steeds.
Dit keer niet. Het is 22 maart 2026.
29 maart 2026. Het is zondagmiddag. Ik ben bij Astrid thuis en zit me op te winden over de communicatie met broers en zussen. Ik word er misselijk en opstandig van. Dat ‘niet aantrekken en van je laten afglijden ‘ lukt mij dus niet. Er zit, zo ontdek ik, een hele lijn in mijn leven van dingen ervaren aan, en met, mensen en er het zwijgen toe moeten doen, voor de lieve vrede of een ander zogenaamd groter lijkend belang dan openheid en oprechtheid. Ik ervaar ook dat er anderen zijn die daar goed in gedijen en nooit tot stoppen of herstel worden gebracht.. Omdat ze het niet zouden kunnen helpen, toch niet veranderen, zielig zijn, whatever. Ik krijg er last van dat er niemand is die voor mij in de bres springt als het te gortig wordt. En ook dat is een thema voor me. Ja, ik wil soms worden gered. En beschermd. Iemand die voor me opkomt als een ander me maar wat graag nivelleert, schamper over me doet, me kleineert, mijn pijn of verdriet bagatelliseert en zelf wentelt in kinderlijk zelfmedelijden. Er is soms een weldadige herkenning bij mijn oudste zus, die het ook moet ontgelden af en toe.
Maar het hoeft ook niet hoor, dat redden. Want ik kan alles zelf en heb, als het moet, niemand anders nodig. Dat weet ik en dat is echt zo. Ik ben mezelf goed gezelschap. Ben niet zielig. Ook ik heb buien van zelfmedelijden en weet dat ik die gelukkig om kan zetten, al reflecterend, in zelf-medeleven. En steun heb ik nu wel in mijn leven. Ook ongevraagd. En ik ben gaan leren zien van wie ik dat wel zou willen, maar niet meer mag verwachten. Dat betekent dan wel emotionele afstand.
Zo wordt mij gaandeweg (gaande mijn weg) helder wat ik moet doen of laten, om weer ‘Heel’ te worden.
Zo ook deze zondagmiddag. Ik neem een besluit, pak mijn telefoon en boek een huisje voor een week in Friesland. Meteen de volgende dag kan ik terecht.
Maandagmorgen in Lemmer de tas ingepakt, de laptop mee en weg.
Ergens in die tijdsspanne, ik ga het nu niet concreet na want zo precies hoeft het niet- maak ik een nieuwe familie-app, getiteld ‘Het Gezelschap’ met iedereen erin behalve mijn oudste broer. (Toch: 25 maart) Ieder die dit leest mag de conclusie trekken. Een app-groep waarin we elkaar vanzelfsprekend met respect bejegenen en waarvan ik de beheerder word. Door mij bedoeld dat men er van op aan kan dat, als er niet respectvol gecommuniceerd wordt, ik daarop zal inspingen. Iets dat ik heb gemist in al die jaren familie-app.
In mijn huisje aangekomen die maandag installeer ik me.
Ik heb foto’s meegenomen
waarvan ik weet dat ze me zullen helpen om in de context te komen en te blijven waar ik deze dagen moet zijn. Ik maak een wandeling in de omgeving en ga aan de slag.
Ik heb als doel dat ik mijn jongere leven in kaart wil brengen.
Ik heb als kind zo-heel-veel gevoeld en wil
helder krijgen waar ik allemaal in gezeten heb en bij betrokken ben geraakt. Veel weet ik al zelf wel en kan ik duiden of invoelen. Opeens kom ik op het kloeke idee om broers en zussen in te schakelen en hen te vragen mij te helpen. Zikj waren er immers onderdeel van. Ik vraag ze eerst naar hun bereidheid tot medewerking en stuur op hun ‘ja’ ,en hun complimenten voor mijn actie, een aantal persoonlijke vragen. Mijn oudste broer doe ik niet. Ik zou niet weten hoe ik dat zou moeten inkleden en voor mij kan hij ook even de pot op. Ik ben te boos en walg van zijn gedrag. Ik heb er nog geen macht over hoe ik dit zou moeten aanvliegen zonder dat hij of ik verder over de kling zal worden gejaagd.
Van de zussen Ans en José en broer Frans krijg ik meteen al antwoorden.
In alle openheid, zo voelt dat. Het begint meteen die week al te stromen en bij zus Ans druppelt dat door tot in juli 2026.
Ik proef aan de informatie, laat het binnenkomen,
verbind het éen met het ander. 
In alle rust. Ik heb en geef het alle tijd.
Astrid en ik stelden het samen vast.
Ik ben getraumatiseerd in dit stuk verleden. En ik ben steeds door kunnen gaan en doorgegaan. Heb ook al veel verwerkt en anders kunnen doen dan eerst, ben een wijzer en heler mens geworden, gevoelsmatig rijker daarmee ook. Maar hier zit nog iets. En wat is dat dan? En hoe kan ik er anders mee omgaan? En wat zal ik moeten accepteren als onveranderlijk? Niemand kan immers een ander veranderen. Je kunt alleen (je)zelf veranderen.
De meeste informatie verrast me niet en is eerder een bevestiging van wat ik ervaren had en al wist. Met behulp van broer en zussen verzamel ik de feitelijke gebeurtenissen en plaats die in een schema, compleet met jaartallen. Dat vind je ergens onderaan.
Wat dat sowieso voor mij oplevert is de realisering van hoe jong ieder was toen bepaalde dingen plaatsvonden in het gezin Overtoom. Zo jong en dan al….. etc.
Een feit is dat een verhaal Feiten heeft en Belevingen. Een schema laat de feiten zien. Dat zijn wellicht de bouwstenen van een verhaal. Maar zij zijn niet het verhaal. Het verhaal is iets van vlees en bloed, van beleven, ervaren, voelen.
Ik ervaar dat ik heel vaak niet werd gezien. Me niet gezien voelde. In de steek ben gelaten. Me in de steek gelaten voelde. Eenzaam en verlaten. Dat de meegaandheid die ik in me heb er is omdat ik die in me heb, als kwaliteit, maar dat ik die ook heb leren inzetten als instrument om óf voor mezelf, óf voor een ander, óf voor de algehele sfeer, de ‘lieve vrede’, niet nog meer trammelant te willen veroorzaken. Daarmee werd mij ook tekort gedaan en deed ik mijzelf te kort.
En er is meer. Ik heb veel verdriet in mijn moeder ervaren. En ik ben dat al vroeg mee gaan helpen tillen en heb m’n best gedaan haar voor verdere pijn en verdriet te behoeden. Parentificatie, heet dat ofiicieel. Je vervroegd belasten met eigenlijk voor een volwassene bedoelde zorgtaken.
Daarom had ik o.a. de pest aan sfeerverpestende acties van o.a. mijn vader. Gezien de afstand tot die vader en mijn onmacht daar anders mee om te gaan, mondde dat uit in haat. Ik gooide op zolder dart-pijljes in de foto van mijn vader. Ik vond in zus José wel een medestander. José en ik hebben, allebei op onze eigen manier, angst ontwikkeld en op onze eigen manier een vorm gevonden om door te kunnen gaan met leven. José kan bijvoorbeeld helemaal naar worden van het toeter-geluid waarmee mijn vader zijn neus snoot. Haar latere man deed dat precies zo, en dat was niet makkelijk. Een onaardige leidinggevende van mij liep op zijn harde zolen tik-tak de opleidingsschool waar we werkten in, in het ritme en met het geluid dat ik van mijn vader kende, …brrrr …daar komt ie….
Mijn vorm naar mijn vader werd haat. Zo creeërde ik afstand. Want de confrontatie aangaan dat zou het hele gezin – wat er thuis van over was tenminste- bezuren en het kon Pa de kop kosten qua gezondheid. Daar was ik voor gewaarschuwd en ik zou dan daaraan schuldig bevonden kunnen worden. En voor het ‘So what’ waren we echt te jong.
Dit is niet meer dan een tip van de sluier. Wel een stevige tip, hoor. Maar er is meer.
Ik ben deze crisis anno 2026 weer dankbaar. Zo wordt me eens te meer duidelijk, zie het labyrint: zaken die in het licht willen worden gezet – omdat je nog heler mag worden- kloppen aan je deur. Het is aan mij om de deur te openen en aan het werk te gaan met wat zich daarachter bevindt. Om in het licht te zetten. Weg uit de schaduw van waaruit het soms ontwrichtend werk doet in m’n leven. Niet omdat het dat wil, maar omdat dat nou eenmaal zo werkt als het het licht niet te zien krijgt, vermeden wordt, verzwegen, weggezet, ontkend, wat dan ook. En eenmaal in het licht gezet dan komt ook duidelijker in beeld wat het nodig heeft. En wat je doen kunt. En dat dan ook doen. Leren doen. En wat niet kan, dat kan dan ook echt niet. En dan volgt dat je je niet moet verzetten tegen de werkelijkheid. Dan rest ons de acceptatie en de bijkomende overgave en mogelijk het resterend verdriet.
In ‘Prelude’ zijn het verhalen van de periode voorafgaand aan die van mijn beroep als leraar en later trainer in de zorg. Het zijn deze verhalen die mij hebben gevormd.
Het zijn verhalen over mijn jeugd, van bij ons thuis, hoe sommige situaties voor mij verliepen en welke indruk ze op mij maakten. Hier en daar pijnlijk, en naar wat ik achteraf vast kan stellen, heb ik vaker eenzame momenten gekend. Niet dat dat er nu nog veel toe doet. Alleen is het, nu ik alles zo beschrijf, wel een ontmoeting met mezelf als jochie en geef ik aan mezelf terug hoe ik het zo in mijn leven ervaren en gedaan heb. Ik ben me er van bewust dat anderen het beroerder kunnen hebben gehad, het is dan ook geen klaagzang, tenminste, het is niet zo bedoeld. Dat het mij gevormd heeft, dat is het.
Ik ben een gelukkig mens. Zo ervaar ik mezelf al langer. Een lieve vriendin/vrouw als levensgezel, drie mooie volwassen zoons, en ik weet me rijk met aan aantal creatieve hobby’s zoals muziek maken, beelden boetseren en schilderen. Verhuisd naar een knus huis in Lemmer, dat me past als een behaaglijke jas.


1950 Ik kom ter wereld op 15 maart 1950 in de Marsstraat 127 in Haarlem en ben dan het zesde kind van het gezin Overtoom-Bijrij. Het is vijf jaar na de oorlog.
Ans( 1937), Ruud (1939), Frans (1944) en José (1947) wonen ook in de Marsstraat.

We zijn een katholiek gezin dus ik word gedoopt. Ton is mijn ‘peter’ en tante Truus, jongste zus van moeder, is mijn ‘meter’. Dat speelde verder in mijn leven geen enkele rol van betekenis. Het was meer traditie.
Mijn vader werkt als kantoorbediende bij Uitgeverij de Spaarnestad in het centrum van de stad. Hij is daar als 16 jarig jochie begonnen. Daarvoor liep hij o.a. krantenwijken.
Hij is geboren op 16 augustus 1907, Assendelverstraat 24 rood in Haarlem. Hij was de middelste van drie jongens: Jan, Antoon, Jaap. Hun vader overleed in 1914 aan tuberculose. Antoon, mijn latere vader dus, was toen 7 jaar. Dat was een moeilijke tijd. Hoe kwam je rond? Er bestonden nog geen uitkeringen. Bikkelhard werken allemaal. Jan werd uiteindelijk bakker. Jaap werd zelfstandig verzekeringsagent bij Bollerman & Overtoom. Antoon ging bij de Spaarnestad. Jan heeft daar later ook gewerkt, evenals hun tweeling Henry en Jos. Ook Ans werkte daar later. Goeie werkgever blijkbaar 😉
Mijn moeder werd geboren in de Soetestraat 2 Haarlem, als tweede dochter van schoenmaker Bijrij. Het gezin bestond uit Henk, Coba, mijn latere moeder Sientje (Jos, Trui waren haar andere namen…), Piet en Truus. Truus had al vroeg last van de erfelijke doofheid. Ze was 7 jaar, meen ik, toen ze doof was. De Soetestraat 2 in Haarlem werd in de jaren ’70 omgebouwd tot moskee.
Wat ik me herinner is dat Annie Bonarius in de Soetestraat woonde en dat deze Annie heel mooi piano kon spelen en dat mijn moeder vaak op haar stoep zat te luisteren. Mijn moeder was ook erg muzikaal en zou later veel zingen en zelf ook piano spelen.
Verder klonken elke avond ‘de Damiaatjes uit de klokketoren van de Bavo op de Grote Markt. Mijn moeder vond dat een lieflijk geluid, dat zij altijd hoorde bij het slapen gaan. Vandaar dat ik die Damiaatjes-tonen altijd speel als ik met Astrid ‘Als liefde’ speel op de piano. Ik eindig het stuk ermee, om mijn moeder te herdenken.
Beide gezinnen hadden het niet breed. In het gezin Overtoom ontbrak de vader. In het gezin Bijrij had vader een schoenmakerij/leerlooierij aan huis. Lange openingstijden, wat vrienden en veel drank. Vader en moeder scheidden. Moeder Bijrij, ‘opoe’ is in de Wouwermanstraat 45 gaan wonen. Ze was stokdoof. Ze gebruikte soms zo’n toeter als gehoorhulp. Ze was een (ge-)harde vrouw. Ik herinner me haar nog wel in dat huisje, we ‘moesten’ er wel eens op bezoek natuurlijk. Later heeft tante Truus daar gewoond meen ik, met haar doofstomme man Nico de Goede. Ik herinner me dat, omdat Truus de fluitketel had laten verbranden in die keuken en doodsbenauwd was voor de komende reactie van man Nico. Dat waren nog eens tijden….Nico is later ontslagen. Hij werkte in een naaiatelier en gooide een schaar naar collega’s waarvan hij dacht dat ze het over hem hadden… Hij was sowieso achterdochtig.
Hij heeft mij wél leren schilderen. Ik maakte onder zijn hoede mijn eerste olieverf schilderijtje, hoewel hij meer met argusogen naar Truus en mijn moeder keek die iets verderop in de huiskamer aan het praten waren. Achterdocht…
Oma Overtoom heeft later korte tijd bij ons gewoond en is bij ons thuis overleden. Ik herinner me dat ze ’die zuster niet meer wilde ! (dat was mijn vader) en dat ze steeds tegen de muren tikte of bonkte als ze iemand nodig had. Ik kwam eens thuis van school toen oom Jan in de gang stond. Ik zei dat ik voor oma had gebeden tijdens de schoolmis die ochtend. ‘Dat heb je dan goed gedaan, Ronnie. Oma is vanmorgen overleden.’ 😉
Mijn moeder en vader hebben elkaar al vroeg leren kennen. ‘Kijk, daar heb je die jongen van Overtoom’ schijnt mijn moeder te hebben gezegd toen ze mijn vader de krantenwijk zag lopen, met zijn kranten. Niet wetende dat het later haar man zou zijn. Zo vertelt zij het op de door haar ingesproken opname / cd die er is van haar levensverhaal. Helaas maar een kort stukje.
Bekend is ook dat er nog een jongen gek op haar was. Auke Snooij. Zij vond hem ook erg lief, maar ja, hij wilde geen kinderen en dus viel hij af. We hebben ons wel eens afgevraagd wat dat voor haar zou hebben gedaan, als hij wel…Maar ja, dan waren we daar niet bij geweest natuurlijk 😉 Mama heeft hem na de dood van Pa nog wel een keer ontmoet.
Ik heb ergens een foto van een Zeppelin die over Haarlem vaart. Die heeft mijn vader genomen vanaf het dak van Vroom en Dreesman. Hij had het speciaal gevraagd aan de chef van mama of hij dat dak op mocht, en dat mocht!
Mijn moeder werkte dus bij Vroom en Dreesman, het warenhuis. Bij de afdeling garen en band?
Zij stopte met werken toen zij trouwden in 1933, dat was toen zo….
In mijn geboortejaar zijn Ans ( 1937), Ruud (1939), Frans (1944) schoolgaand en José (1947) is nog thuis. Mijn oudste broer Ton (1936), woont dan niet meer thuis. Hij gaat in 1949, als twaalfjarige, het klooster in en zit in een van de huizen van Don Bosco.
Het gezin was kort daarvoor verhuisd van de Dutrystraat 52 Haarlem naar de Marsstraat 127 in Haarlem. Betere buurt, mooier en groter huis. Pa kon het maar krap betalen. Aan de ene kant woont de familie Ligtvoet, later Bonsel. Aan de andere kant de familie Mathôt. Met die familie hebben we heel wat gedonder gehad.
Ik ‘doe’ het goed, gezien de uitslagen van de metingen bij het Consultatiebureau.
(Grappig om alvast te weten dat ik de verloskundige die mij ‘gehaald’ heeft later tegenkom op de verloskamers van St. Joannes de Deo, waar ik de A-Opleiding tot Verpleegkundige doe. Zij wist het nog. ‘Ik heb jou nog gehaald’, zei ze. Ik vergat helaas te vragen hoezo ze dat nog wist 😉 )
We zijn een katholiek gezin dus ik word gedoopt. Ton is mijn ‘peter’ en tante Truus,
jongste zus van moeder, is mijn ‘meter’. Dat speelt verder in mijn leven geen enkele rol van betekenis. Het leverde in ieder geval nooit extra kadootjes of zo op 😉. Het is meer traditie.
Mijn opa, vader van mijn moeder, woont in 1952/1953 even bij ons in. De enige herinnering aan hem die ik heb, ik ben dan drie jaar oud, is dat hij in een luie stoel zit, en ik daarbij op de grond, en dat zus José binnenkomt waarop opa reageert: Zo, juffrouw Druk!!’ ( misschien al wat ADHD? Maar dat werd toen nog niet als zodanig erkend )
Zelf heb ik uit die periode geen nieuws. Ik verwacht dat het gezin draaide zoals een jong gezin draaide.

1953 Te jong
Ik ben drie jaar als mijn opa, de vader van mijn moeder, overlijdt. Hij woont al een tijdje bij ons in huis en hoewel het een nurkse, stille man is, mag ik hem graag. Het is voor mij niet duidelijk waarom hij bij ons woont. Daar ben ik dan ook drie voor. Ik herinner me geen duidelijke aanwezigheid door hem in ons gezin. Hij ís er en zít, in de luie stoel, en observeert waarschijnlijk de drukte – voor hem dan- om zich heen.
Opeens is hij niet meer in beeld. Achteraf weet ik dat hij naar het Marine Hospitaal is gebracht en daar heel naar heeft geleden aan maagkanker.
Opa was een stille man, introvert zeggen we nu. En stug. Zijn zoon, de jongere broer van mijn moeder, oom Piet, heeft veel van hem weg. Ik weet nog goed dat ik toch graag naast zijn stoel op de grond zat, dat voelde stabiel en veilig.
De dag van de begrafenis in de kerk van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten in Haarlem-Noord worden mijn twee jaar oudere zus José en ik achtergelaten in een lokaal van de kleuterschool, voor de duur van de uitvaart. Men vindt ons te jong om daar bij te kunnen zijn. Achteraf denk ik dat men mij te jong vond en mijn zusje José met mij mee liet gaan, waardoor het verblijf in dat lokaal me minder zou opvallen. In ieder geval waren we daar samen ’te gast’ in een klas met kleuters. Wat een pech voor de familie, die dacht zonder ons opa ten grave te kunnen dragen: de supergrote ruit van het lokaal biedt een pontificaal uitzicht op de kerkdeur van waaruit opa richting begraafplaats wordt gebracht. En ja hoor. Opeens zwiept die kerkdeur open en daar verschijnen de dragers met de kist. Opa!!! Ik zie mijn vader, moeder, ooms en tantes, mijn broers en oudste zus, iedereen loopt daar! En ik? En wij? En ik? Wat! De hel breekt los en José en ik gaan staan rammen op die ruit. En …..dat haalt niets uit. Woedend ben ik en wat voel ik me belazerd, al is dat niet de vertaling van een driejarige.( Ik haal het gevoel nog steeds heel gemakkelijk terug). Ik ben er van overtuigd dat als José en ik gewoon bij de uitvaart waren geweest dan was er punt 1 niets gebeurd, behalve dat we af en toe ‘sssst’ te horen hadden gekregen, en ‘zit stil’, en punt 2, belangrijker, dan was die woede, dat ‘er niet bij mogen horen’ – gevoel, en belazerd worden, niet zo diep in de groeven van mijn ziel terecht gekomen.
Opa wordt begraven op het kerkhof bij de Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten-kerk, onze parochie-kerk. We bezoeken de jaren erna vaak zijn graf. Een paar jaar later, december 1956, wordt mijn vriendje van school, Nolly Rootlieb, vlakbij hem begraven en voor mij ontstaat er iets tussen die twee. Opa waakt over hem. Zo beleef ik dat.
1956: In de gezinssituatie verandert er iets: Frans gaan naar seminarie. Hij is dan 12 jaar. Hij schrijft me daar nu over:
‘In 1956 ging ik naar de Salesianen. Het leek me wel mooi om pater te worden. Maar ook omdat er gevoetbald kon worden. Ik ging in ieder geval niet weg om thuis te ontvluchten. ‘
Het was de tweede zoon die naar het seminarie ging. Als katholiek gezin had je dan een aardige bijdrage gedaan aan de kerk. Binnen ons gezin was het de gewoonte dat er elke week een brief werd geschreven aan de kloosterlingen en zij ook naar de Marsstraat. Dat heeft een lijvig archief opgeleverd dat broer Ton heeft aangelegd, beheerd, en naar ik meen gedigitaliseerd. Weinig gezinnen zijn op die manier vereeuwigd.
Dat Frans naar het seminarie ging viel me eigenlijk amper op. Ik denk ook dat Frans vooral zijn eigen gang ging. Ik herinner me wel het spelen met mannetjes, cowboys en indianen, een heus fort en een schip, maar dat kan ook van later geweest zijn.
Jose geeft nu, 2026, wel aan dat ze het vertrek van Frans als verdrietig heeft ervaren, omdat ze daarmee haar grote broer kwijt was.
1956 De lagere school
Het is 2023 als Frans, José en ik naar Haarlem gaan. We doen jaarlijks met elkaar een Stedentocht. Bezoeken gedenkwaardige plekken, een museum, eten gezellig ergens en praten onderling wat bij over hoe het ons nu gaat. Deze keer is het Haarlem, waar een groot deel van onze gezamenlijke geschiedenis ligt. We lopen in Haarlem-Noord en gaan langs onze Lagere Scholen of wat er al of niet van over is. Elk van ons heeft verhalen en herinneringen aan zijn of haar school. Op een gegeven moment komen we langs de Kardinaal de Jongschool. Het gebouw staat er nog en doet nu dienst voor een ander soort opleiding. Omdat het een doordeweekse dag is zouden we naar binnen kunnen en ik krijg die vraag van José, maar iets in mij wil dat helemaal niet. Het voelt onaangenaam. Het bezorgt me een oud, verdoofd gevoel. Zo van: ik heb daar nooit willen zijn.
Er zijn een paar foto’s uit die tijd, maar super weinig. Ik herinner me een foto dat ik met een klasgenootje in het zand voor de in aanbouw zijnde school zit te spelen. Het is Rudi Walkotte en we zitten allebei in de tweede klas bij juffrouw Gemke. Dat moment staat ook in mijn geheugen gegrift, waarschijnlijk ook met hulp van die foto. Ik herinner me dat Rudi een verdrietige sfeer om zich heen droeg. Zijn vader was overleden. Het zal rond 2015 geweest zijn dat ik ene Ruut Walkotte op Facebook tegenkom. Ik maak kontakt met hem en stuur hem de foto. Hij is het. Wij zijn het. We hebben nog steeds kontakt via Facebook. Erg leuk. Hij woont zijn hele leven lang al in Haarlem, in dezelfde straat als vroeger. Hij werd postbode.
Verder herinner ik me Jan Kooper, een vriendje van me weliswaar, maar ook dat hij mij ongenadig behoorlijk in mijn maag stompte toen hij mij blijkbaar irritant vond. Ik zal het verdiend hebben.
De Zwarte Pieten op het dak van de noodbouw, waarbij ik toch echt een blanke hand in die zwarte zandschoen zag, potverdorie!
Hoofdmeester Houthuijsen die jarig was en elke klas rond ging om kadootjes op te halen en waarbij ik het gewaagd had wat luciferkoppen in de kado-sigarettten te steken. Hij kwam later in de klas verhaal halen en wilde weten wie dat op z’n geweten had. Toen ik uiteindelijk mijn vinger opstak zag ik de zogenaamd boze, maar vooral verbaasde blik in zijn ogen. Achteraf reflecterend en fantaserend denk ik dat hij het meest verbaasd was dat dat brave, wat kleurloze, jongetje Overtoom dat ‘gedurfd’ had. Dat had hij niet verwacht.
Een sterke herinnering is het verhaal rondom Nolly Rootlieb. Eén van mijn vriendjes van de eerste klas. We zaten toen op de Bavo-school. Komt ie:
Het is september 1956 en ik ga op school, de St.Bavo Lagere school in Haarlem, waarvan ik later besef dat mijn broers, Ton, Ruud en Frans, me daar voorgingen.
Mijn juf is mevrouw Kampmeier. Een kleine, rondborstige, vriendelijk ogende moeke.
Ze is heel geruststellend, aardig en betrouwbaar. Ik voel me bij haar op m’n gemak.
In november wordt Nolly Rootlieb, een roodharig jochie uit mijn klas, overreden bij het oversteken van de Rijksstraatweg, als daar de stoet van Sinterklaas aan komt rijden.
Hij overlijdt.
We zijn allemaal erg aangeslagen en geschrokken. Nolly krijgt een ‘engelenmis’. Daaraan voorafgaand gaan we met de hele klas in een stoet naar zijn huis in de Vogelenbuurt. Hij ligt opgebaard, links in een hoek van de huiskamer, en ik zie zijn moeder rechts staan. Rood haar en heldere blauwe ogen. Zo blauw als ik die later zou zien in de film van de Titanic.
Wat ik toen nog niet kon vermoeden is dat ik haar later zou opzoeken. Daarover later meer.
Nolly wordt begraven op het kerkhof van de O.L. Vrouw van Zeven Smarten kerk in Noord, en hij ligt vlak bij mijn opa Bijrij, vader van mijn moeder, die in 1953 overleed.
Door het toenemende aantal kinderen na de oorlog in Haarlem Noord wordt er een nieuwe school gebouwd, de Kardinaal de Jongschool aan de Jan Gijzenkade. Een heel stel jongens van de St.Bavo Lagere School moeten over naar die school. Ronnie Overtoom ook. Ik vind het geen fijne overstap. We belanden in de noodbouw, want de echte school is nog niet klaar. De juf van de eerste klas gaat niet mee. Er is niks vertrouwds. Meester Houthuijsen is het schoolhoofd. Een forse, lange, vaak boos-kijkende man met een kop zwart haar en grote tanden.
Ik denk dat we in het begin van de tweede klas even een inval-juf hebben gehad. Op een gegeven moment komt meester Houthuijsen de klas in en hij spreekt ons ernstig toe. Hij vertelt ons dat we juffrouw Gemke krijgen. Juffrouw Gemke is lange tijd ziek geweest en komt nu weer terug. En wee ons gebeente als wij haar weer ziek zullen maken…..!!! Dan zwaait er wat, dat kan je aan de meester met z’n boosaardige ogen wel zien. Juffrouw Gemke wordt gepresenteerd. Zo te zien is er niet veel voor nodig om haar ziek te maken: een grijze, grauwe, magere vrouw met ook al grijsgrauwe spillebeentjes, een veel te grote bril op het vaalbleke hoofd en enkele lokken dun grijs haar. Ik zit op de eerste rij voorin, vlakbij haar, het is dus oppassen geblazen.
We komen het jaar heelhuids door. Maar ik leer daar de boodschap: je wordt mede-verantwoordelijk gehouden voor de gezondheid (en mogelijke versnelde dood?) van een kwetsbare oudere, dus: dimmen! Inhouden! Aanpassen!
Ik heb op school geen leuke jaren. De derde klas is voor meester Thom Snijders. Een bravoure-mannetje, die het vooral leuk vindt om zijn stoel op de lessenaar te zetten en zo zijn volk te overzien en te imponeren. Hij kan wel aardig voorlezen, maar ik zit al in mijn schulp sinds het begin van de tweede, bij Gemke, en ik kom daar zo ook niet meer uit.
Vierde klas. Ton Stevens. Een klootzak van de eerste orde. Hij gooit borstels en krijtjes naar z’n leerlingen en kan heel gemeen doen en kijken. Hij trekt je aan je oren voor de klas en dat is behoorlijk pijnlijk. Mij spaart hij ook niet. Ik schrijf per ongeluk ‘trug’ in een opstel, in plaats van ‘terug’, en word voor de klas voor lul gezet. Doordeweeks is hij mijn meester en in het weekend is hij mijn a.s. zwager. Ja Ans, mijn knappe oudste zusje, is favoriet bij sommige meesters op school. Ze gaat zo’n drie jaar met me mee zowat: Snijders bla bla vindt haar erg aardig, Stevens wordt haar verloofde en Loek Garsten, meester van klas 5, informeert regelmatig en blozend bij me en, naar hoe ik de signalen nu als volwassen man kan interpreteren, hij lijkt verkikkerd te zijn op haar, maar ja, ze valt op Stevens. Garsten was best een aardige en warme man. Keuzes…
In de door mij bewaarde schoolrapporten kun je lezen dat het mij minder goed gaat vanaf begin klas 4. Ik heb niet de indruk dat het ook maar iemand is opgevallen en dat het vragen opgeroepen heeft over de positie waar ik in zat. Niemand heeft zich waarschijnlijk afgevraagd in hoeverre het gepast is om de verloofde van mijn zus mijn schoolmeester te laten zijn en of ik daar last van had de ja of de nee.
Het gegeven dat Stevens tegelijk verloofde en meester was kan zelfs door mijn ouders als ‘heel voornaam’ zijn beleefd. Een meester was niet niks.
Zijn aanwezigheid bij ons in huis voelde unheimisch. Hij kon, om te demonstreren dat hij ook wel gewoon met me kon spelen, me achtervolgen op de trap. Ik herinner me zijn blik, ook toen hij mijn afwijzing opmerkte. Verbolgen was hij, koud. Dat mocht ik op school dan weer ontgelden.
Ik herinner me een moment dat ik absoluut niet naar school wil. Mama weet ook niet wat ze met me aan moest en laat me de hele school-ochtend op het muurtje van de bloembak voor ons voorraam zitten. Ik heb daar uren stil in m’n eentje zitten zitten. Maar alles beter dat naar die rotschool moeten.
Ik herinner me dat we op woensdagochtend naar de schoolmis liepen: mama , José en ik. Toentertijd ging je daar ‘nuchter’ naar toe. Op een lege maag dus, want je ging ter communie. Dan mocht er nog niks anders in je maag zitten.
‘Verdorie’, zegt mama. ‘Heb ik per ongeluk een pepermuntje op vanmorgen.’. Geen communie straks, verdikkeme. ‘Ik heb ook een snoepje op!’ vervolgt José. Met schaamte moest ook ik bekennen dat ik van de suikerpot gesnoept had. Alle drie dus geen Ons Heer in de mond straks. 😉
Klas 5 en 6 kom ik ongeschonden door. Waarschijnlijk omdat ik me ook niet meer laat zien.
Meester Houthuijsen doet de aanbeveling me naar de Ambachtsschool te sturen. Leren en werken, een vak leren. Ronnie is handig met dingen. Dat was weliswaar goed gezien, maart mijn moeder dacht er anders over en liet me meer de studie-kant op gaan. MULO. Dankjewel mama. En Papa. Goed gedaan.
Ik heb, kortom, aan de Kardinaal de Jong school geen enkele echt leuke herinnering.
Later, het is dan 2025, als ik de narigheid die ik in mijn leven heb opgelopen, die begon met Gemke, uitspreek tijdens een Haarlem-tocht is de reactie: ‘Ja, dat was toen gewoon zo…had je dan wat anders verwacht van ouders in die tijd?’ Alsof de spanning en het verdriet van toentertijd, die dan nog steeds in me zit, gladgestreken kan worden omdat je het rationeel, en anno nu, wel begrijpt…. Voor mezelf is dit een moment waarop ik het Kind in mij begrijp dat zegt: ik word – alweer- niet gezien. Zulke opmerkingen van anderen worden gemaakt vanuit de ratio, vanuit een rationeel weten dat het toen zo was en niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Ik weet ook wel dat het ’toen’ zo was en dat een kind dat niet hoefde te verwachten van zijn ouders, maar daarmee is het nog wel een eenzaam, verdrietig en onbegrepen deel van me.
Het hoeft ook niet opgelost te worden. Maar wel erkend! Met een onderstreping van hoe dat gevoeld zal hebben en soms nog voelt. ‘Klote voor je, eigenlijk. Je was daar verdomd eenzaam.’ Zulke woorden zouden voldoende zijn geweest om een brug te slaan.
Het wordt ook tijd dat ik het Kind in mijzelf zelf zie en er beter voor ga zorgen. Bijvoorbeeld door zorgvuldiger uit te kiezen in welke situatie en aan wie ik het blootgeef.
Er heeft zich in mijn leven een ‘Meer van Eenzaamheid’ ontwikkeld. Van ‘in de steek gelaten zijn ‘, van ‘niet gezien worden’. Deze periode is daar een belangrijke in. Ik trek me meer en meer trug, o nee, terug. Het is ook geen ramp. Ik denk dat het veel mensen gebeurt. Ik weet ook dat ik geheid wel wegen gevonden heb om mezelf uit te drukken en aan mijn trekken te komen. Maar echt delen wat me werkelijk bezig houdt en mezelf kwetsbaar opstellen bij andere mensen, dat heb ik wel moeten leren. Ik schreef zo’n 150 gedichten in mijn puberteit. Ik gooide ze in een bui van ‘het zal allemaal wel’ allemaal weg. De teneur was een snakken naar liefde en een samensmelten, iets voorstellen, er toe doen, de held willen zijn. Gelukkig was er ook de humor En de taal. Ik kon het meeste vangen in woorden en dat is een groot geschenk gebleken.
Herinnering over een eendje.
We houden thuis wel van dieren. Als er iets losloopt en naar ’t schijnt hulp nodig heeft, dan zorgen we daarvoor. Zo ook Ans. Zij neemt een jong eenden-kuiken mee uit het park. De moeder is spoorloos. Het loopt los in onze achtertuin. Thuisgekomen uit school denk ik: ik pak een bak water, dan kan het zwemmen. Ik weet me nog die grote platte bak te herinneren. Ik vul het ding met water uit de keukenkraan en zet de bak op het gras. Ik zoek en roep het eendje. Ik vind het niet. En nog niet. En niet.
Bang geworden til ik de bak weer op. Eendje. Morsdood.
Ophaalbruggen
Mijn vader kon uit het niets opeens boos worden. Wat hij zeker niet op prijs stelde is als ik zijn gereedschap gebruikte. En ik hield van constructies maken, zoals ophaalbruggen. En ja, dat vraagt om hamers en spijkers, etc. Op tijd de boel opruimen voor hij thuis kwam was het beste dat je kon doen.
Nu, achteraf, denk je, goh jammer, we hadden ook samen iets kunnen maken, of je had me iets kunnen leren. Maar Pa was voorzitter van de voetbalclub en stencilde thuis de clubkrant die we met z’n allen moesten vouwen. Dat soort zaken had al zijn aandacht.
Pa hield ook duiven. Dat was wel iets om te delen. We hadden ieder onze eigen duif.
Mijn duif ‘Ronny’ heb ik dan ook teder in mijn handen gehad. Dat waren dan wel weer leuke momenten.
Naïviteit
Het lijkt misschien iets futiels, deze ervaring. Het is haast niks, bijna te kinderachtig om op te schrijven. Toch maar gedaan. Omdat het éen van de eerste grondige ervaringen is dat ik me belazerd voel door iemand waarvan ik het echt niet verwacht had.
Het is bijna Sinterklaas 1961. Bij ons thuis is dat elk jaar een bijzonder feest. Pakjesavond is steeds supergezellig en spannend. Spannend? Ja, als je in Sinterklaas gelooft. En dat deed ik. Nog. Nog steeds. Nog steeds? Mijn vriendjes in de straat beweerden dat het allemaal niet waar was. Sinterklaas bestond niet, was een verzinsel. Maar, mijn ouders, mijn moeder nota bene, had plechtig gezegd dat Hij bestond. En mijn moeder zegt de waarheid, is betrouwbaar. Altijd. Mijn vriendjes lachten me uit, en uit, en uit. Ik geloofde heilig in mijn moeder!
Na het eten, iedereen zit nog aan tafel, sta ik naast mijn moeder die aan het ‘andere’ hoofd van de tafel zit, (aan de kant van de keuken natuurlijk, hè?…) en vraag haar: “Mama, Sinterklaas, die bestaat toch, hè? Of….niet….? ’ En dan zegt mijn moeder, met hoorbaar ‘ bezwaard gemoed : ’ Nee, Ronnie, Sinterklaas bestaat niet en ….‘ . Wat ze daar allemaal achteraan zei kwam niet meer binnen. Ik was geschokt. Wat voelde ik me belazerd, en wel door mijn moeder die ik zo had geprezen en verdedigd naar mijn vriendjes. En nu moet ik mijn vriendjes onder ogen komen. Wat zullen ze me belachelijk vinden dat ik als bijna 12-jarige nog steeds gelovig ben. Afschuwelijk. En mama, is er nog meer dat niet waar is? En waar je me bij in de waan laat? Weet je wat? Ik raak op mijn hoede. Betrouwbare mensen zeggen niet steeds de waarheid als ze denken je met een onwaarheid een plezier te doen. Later zal ik dit fenomeen tegenkomen op de verpleegafdeling, waar men kankerpatiënten niet vertelt dat ze kanker hebben en zullen doodgaan. Om de hoop op herstel niet te verliezen. Herstel….In plaats van mensen te helpen door hun proces van rouw en afscheid van het leven.
Niet dat ikzelf altijd zo’n heilige ben, maar de waarde van ‘waarachtigheid’ zit wel in mij verankerd. De keren in mijn leven dat ik zelf niet waarachtig kan zijn, die zijn er ook. Dan regeert de angst. De angst om iets of iemand te verliezen, te verspelen. Dat is me dan op dat moment blijkbaar nog kostbaarder dan waarachtig zijn. Iets dat ik later in bij mijn scheiding tegenkom. Je wil scheiden van je partner, niet van je kinderen. En dat behelst een levensles.
De momenten waarop ik waarachtig kan zijn en ben, nemen gaandeweg toe. Ik ga dingen zeggen die gezegd moeten worden en die anderen niet zo snel durven zeggen. Ik sta mezelf die lessen maar toe en vergeef me mijn eerdere ‘fouten’. En geniet van de herwonnen vrijheid te mogen en te kunnen zeggen wat mijn waarheid is. Waarachtigheid en eerlijkheid gaan hand in hand. Het gaat er dan nog om om hoe ik iets zeg. Met behoud van respect voor de ander, die meestal ook geen kwaad in de zin heeft. En ik ervaar dat me dat steeds meer is gelukt in mijn leven. Ik heb daarbij goede leermeesters in de personen van Tiny en Frieda, collega’s in Sancta Maria. Zij zijn DE grote wegwijzers in mijn leven geweest.
Hersenbloeding
Het is 1962 als ik de Lagere School verlaat, ik ben 12. Ik ga naar de St.Jeroen Mulo. Die zomer wordt de huiskamer thuis verbouwd. Een bende is het. Schuifdeuren eruit en een haard geplaatst. Wel mooi. Pa werkt zich rot, samen met een kameraad van hem.
Later dat jaar gebeurt het: papa krijgt een hersenbloeding en we belanden in crisis. Mama wordt weliswaar in van alles bijgestaan, maar toch. Ik moet zeggen dat ik er niet veel herinnering aan heb. Het leven gaat verder. De ritten naar de Valeriuskliniek in Wassenaar, waar Pa enkele maanden verblijft, herinner ik me, maar dat Pa niet thuis was daar heb ik geen vervelende herinnering aan. Ik denk dat ik hem niet miste? De sfeer was in ieder geval ontspannen.
Vader doorstaat de bedreigende situatie en ‘herstelt’ zonder grote ingrepen. Hij kan wel veel minder hebben en de sfeer thuis is regelmatig erg gespannen en onveilig. Er zijn gelukkig ook momenten dat het wel losloopt en gezellig is. Maar er is voortdurende waakzaamheid nodig. In zo’n sfeer doe je je best om het wat stabiel te houden. Maar ja, er wordt geleefd, gepuberd, van alles, dus ja… Er zijn om de haverklap incidenten thuis. En het gaat er soms hard aan toe. Vader kan soms meppen. Vooral de maaltijd gezamenlijk zijn niet ontspannen.
Het zal 1964 zijn geweest dat ik samen met zus Jose naar Bloemendaal ga, naar de woning van behandelend geneesheer Dokter Uiterwaal. Het gaat thuis bergafwaarts met Pa. Ruzie, en nog eens ruzie. Het is een dinsdag- of woensdagavond half acht en de dokter kijkt verstoord dat we zijn adres gevonden hebben en nu voor zijn deur staan. We doen ons verhaal en vragen hem om hulp. Hij kijkt ons aan en zegt iets als: ‘Jullie moeten gehoorzaam zijn en je gedragen. Jullie vader kan een tweede bloeding krijgen en dan is dat jullie schuld!’
En daarmee druipen we af en gaan weer naar ‘huis’.
Een dergelijke boodschap, dat ik moet dimmen anders gaat er iemand dood, heb ik eerder gehad. In mij laait een woede op, ik ben me dat niet zo bewust, maar ik ga dit soort mensen haten. Volwassen mensen die iets mankeren en dat ik me koest moet houden, anders ben ik er verantwoordelijk voor dat hen iets overkomt. Dit is de tweede keer van de boodschap: je wordt mede-verantwoordelijk gehouden voor de gezondheid (en mogelijke versnelde dood?) van een kwetsbare oudere, dus: dimmen! Inhouden! Aanpassen! Dat wordt hiermee een thema in mijn leven.
Eerste eigen camera.
We hebben er een tijdje voor gespaard, m’n vriendje Jos de Wilde en ik. Naast dat we op dezelfde middelbare school zitten hebben we beiden vaders die op De Spaarnestad werken, een drukkerij/uitgeverij in Haarlem. En die houden een actie. Je kan er tegen gereduceerde prijs een leuke interessante fotocamera kopen. De Lubitel 2. Een Rus! Dus dat gaan we doen. Ons beider vaders gaan dat binnen het bedrijf regelen. Het kan wel even duren. Wij in spanning natuurlijk.
Na een week of twee ontmoet ik een opgetogen Jos. ‘We hebben ‘m, hè!’ Ehm…. We? Jos had ‘m. Ron nog niet. ’s Avonds aan tafel: ‘Pap? Jos heeft z’n camera binnen. Is de mijne er ook? ‘
‘ Nee, nog niet ’, zegt Pa. Kan gebeuren. De vaders werken waarschijnlijk op een andere afdeling en dan kan de levering ook net even anders lopen, logisch. Wachten. Het was een dinsdag of zo. Woensdag dan? Nee, nog niet, geen camera. Donderdag krijg ik de kriebels, ik heb de camera bij Jos al gezien. Echt te gek! ‘ Pa..?’ ‘ Nee, jongen, nog niet ‘.
Het wordt vrijdag. En dan ga ik snuffelen. Op de slaapkamer van mijn ouders. De linnenkast. Op de tweede plank van boven liggen de doopkaarsen van de kinderen bewaard te worden. Als er ooit iets verstopt wordt dan is het een beetje in die buurt. En waarachtig. Er ligt iets achter, ingepakt in pakpapier. Ongeveer zo groot als mijn nieuwe camera zou moeten zijn. Het zal toch niet? En warempel….het is mijn nieuwe camera. Waarom…waarom ….waarom ligt ie daar? Waarom zegt mijn vader niks? Waarom liegt ie?
Ik leg de camera weer terug waar ik hem gevonden heb en ga naar beneden. Ik zeg niks, want het is verboden om ongevraagd in de linnenkast te komen. Tussen de middag als mijn vader thuis komt eten, vraag ik naar de camera. ‘Nog niet, jongen, misschien morgen. ’ Als mijn vader zaterdag van zijn werk komt dan zegt hij dat mijn camera er is en dat we straks het pakje samen open gaan maken.
We zitten wat later samen op een bankje buiten in de achtertuin om de camera uit te
pakken. Ik wil hem graag zelf uitpakken en in mijn handen houden. Wat? Ik popel! Maar mijn vader doet dat ritueel. En mijn vader, sigaar in de mond, bekijkt op z’n gemak alle knopjes en mogelijkheden van MIJN zelf-betaalde Lubitel 2. Ik wacht tot hij hem eindelijk aan me geeft. Ik word geacht samen met hem blij te zijn, maar ik ben het niet. Ik ben er stil van en trek me terug. Er is weer een bouwsteen toegevoegd aan mijn woede en ontluikende haat. Zulke zaken uitspreken gebeurde bij ons thuis niet, daar gold een zwaar verbod op. De gevolgen daarvan konden vernietigend uitpakken. Dus laat maar. Ook mijn moeder vertelde ik het niet. Zij deed toch al alle moeite om de sfeer in huis draaglijk te houden.
Ik maakte mooie foto’s met mijn heerlijke camera, waarbij ik veel met Jos in Haarlem op pad ging. Met mijn vader heb ik geen enkele foto gemaakt. Hij vond wel mijn foto van het interieur van de Kathedraal St.Bavo in Haarlem erg mooi. En drukte hem voor zichzelf af. En hield het negatief. Ik zag het niet meer terug, het was kwijt.
Laat maar, stil maar. Gewoon niet meer delen en goed oppassen.
Nieuwe schoenen.
Mijn schoenen zijn versleten. Ik loop voor gek. Nieuwe schoenen kosten gauw 30 gulden. In een tijd waarin we naar de goedkoopste kapper gingen, die het ook nog verboden werd om bij mij een kuifje te knippen (was 5 cent extra), was 30 gulden veel geld. ‘Ik heb het niet, jongen. Je moet nog even op de oude lopen.’ aldus mijn vader. Ik ben boos, want ik draag een geheim met mij mee. Ik heb iets ontdekt over mijn vader. Hij betaalt geld aan een vrouw om haar te mogen fotograferen. Ik ben de enige die dat weet. Ik heb gesnuffeld in zijn Doka en vond foto’s en brieven. Van ene mijn heer Marsman. Ah, dat is in ieder geval niet mijn vader. Tot het kwartje valt en ik snap dat mijnheer Marsman wel degelijk mijn vader is, omdat wij in de Marsstraat wonen. Ik houd het voor me, ook al omdat ik weet dat mijn gesnuffel niet deugt en ik dat aan niemand wil bekennen. Ik hoor zoiets natuurlijk niet te doen.
Vader mag op een gegeven moment ‘voor de zaak, de Spaarnestad’ op zakenreis naar Den Haag. Ik begrijp niet waarom hij dan zo naar aftershave moet stinken. Dat snap ik beter als ik er achter kom dat die mevrouw in Den Haag woont.
Jaren later is er een incident, vader wordt door mama tussen de middag ‘betrapt’ bij een mevrouw ergens in de stad en verdwijnt met een koffer met kleren. Hij doet ’s avonds 25 gulden door de brievenbus. Ome Jan is er, zijn oudste broer. En Ruud. En het gaat over ons Pa. En dan vertel ik het. Ruud gaat naar zolder en even later ligt alles op de huiskamertafel.
Later mompelt Papa een verwijt naar me, als hij de zoldertrap afloopt en ik daar in bed lig om te gaan slapen. God, wat ben ik bang. En ik schaam me ook op éen of andere manier en voel ook dat dat niet klopt.
Dat ik er pas heel veel jaar later meer van begrijp en er anders over oordeel, daar ben ik wel blij mee en het leidt, lang na mijn vaders overlijden, tot meer empathie en rehabilitatie. Toen niet. Er was alleen woede en haat.
In een sessie van de Focustraining in plm. 2020 merkt René Maas fijntjes op: ‘Zo, dus jij hebt je vader verraden’. Niet zo’n fijne opmerking van deze pstchotherapeut en ik bedenk me twee dingen. René’s vader is in 1944 in de rug geschoten door foute Nederlanders en hij heeft nog immer intens verdriet om zijn vader. En: ook psychotherapeuten worden oude lullen en zeggen ondoordachte dingen. Maar het klopt ook: ik heb mijn vader verraden. Ter vergoelijking: ik was kind, ik was 16, ik voelde me zelf verraden, door mijn vader.
Maar ik snap het. Mijn vader wilde ook wel eens wat. Mijn mama was een preutse vrouw. Trouw en lief, maar preuts tot in haar botten. Papa lijkt meer op die mijnheer in mijn verhaal Beste Baas. Hij lustte er wel pap van. Dus hij zocht zijn weg. Voor hem helaas dat wegen ook weer andere wegen kruisen.
Mijn vader was met zijn broers altijd aan het ‘geinen’. Ome Jan, de oudste, acteerde bij en theatergezelschap met als favoriete figuur ‘de dronkaard’. Zo’n lijzige stem kon hij ook opzetten. Jaap was meer van de snelle moppen, met zijn hoge stem. En Pa van alles wat. En maar lachen samen. Ik denk dat de broers ook steun aan elkaar hadden en sowieso elkaar niet zouden afvallen. Mijn kinderen hadden de ‘Band of Brothers’ na de scheiding van hun moeder en mij. Ook al om elkaar dwars door alles heen altijd te steunen. Ik mag daar wel eens een beetje aan meedoen, maar hoorde er niet echt bij. Logisch.
Links Pa, dan Jan, dan Jaap.
Dood en Leven.
Het is 1970. Ik kom met mijn bromfiets achterom en zie dat mijn overbuurman in onze woonkamer zit. Dat kan maar éen ding betekenen, en als ik naar binnen stap en we groeten elkaar, is het eerste dat ik vraag: ‘ Waar-is-ie?’ Even later ben ik met m’n bromfiets op weg naar St .Joannes de Deo, het ziekenhuis. Daar zie ik even later mijn vader. Hij ligt in een bed, omgeven door mijn moeder, ome Jan -zijn oudste broer- en anderen. Mijn vader kijkt naar me en prevelt iets. Ik wil het niet verstaan, ik weet alleen nog maar dat ik een harde blik in mijn ogen had. Achteraf denk ik dat hij gezegd heeft: ‘Zorg goed voor je moeder’. Vanuit de overlevering weet ik dat dat ook door zijn vader tegen hem gezegd is toen deze kwam te overlijden.
Vader overlijdt een week later. De neuroloog Uiterwaal is met vakantie geweest en hij komt nét te laat weer de afdeling op. Ik zie nog de teleurstelling in zijn ogen dat hij Pa niet meer open mag maken om eens binnen in dat hoofd te kijken.
Ik ben organist van de Liduina-tieners en met dat koor doen we de uitvaart in de Zeven Smarten. Ik weet er verder weinig meer van.
Na mijn vader’sdood woon ik samen met mijn moeder in het ouderlijk huis. Ik opgelucht en met een gevoel van ontspanning en ruimte. Zij met verdriet omdat zij hem mist. We verschillen daarmee in onze rouw. Ik voel geen rouw. Mijn moeder en ik, wij laten elkaar daarover met rust, ofwel, we zijn daar samen alleen.
Maart 1971 stop ik met de Pedagogische Academie Da Costa in Santpoort. Daar ben ik beland nadat ik door mijn vader in 1969 van de kweekschool in Beverwijk ben gehaald. Daar was een maandenlange onderwijsstaking en de school lag plat. Op Santpoort pas ik niet. Het is me te braaf allemaal. Mijn vader sterft, ik raak wat aan het dolen en er is niemand op school die zich om mij bekommerd. Ik word in maart 1971, ik ben dan net jarig en word 21, op een slinkse manier door de directeur afgeserveerd. Hij bombardeerde me met hoofdrekensommetjes die ik niet zo snel wist op te lossen, en kon gaan. Een schoolmeester moest nu eenmaal goed en snel kunnen hoofdrekenen.
Thuis prut ik behoorlijk in elkaar en wordt initiatiefloos. Ik beland bij ome Jan, hij is tenslotte mijn voogd (!) en deze raad me aan de computers in te gaan. Geen goed plan, past niet bij mij. Ook pastoor Timmermans van het koor heft ten einde raad zijn handen omhoog. Dan komt de rol van postbode- voor tijdelijk- om de hoek kijken en ik kan beginnen.
Ik werk vervolgens zes verrukkelijke maanden als postbode in Santpoort-Zuid. Ik loop wijk 10, de hondenwijk genoemd, vanwege de lange oprijlanen en de bijbehorende waakhonden. Er waren toen nog geen brievenbussen per adres.
Mijnheer Scheffer is mijn baas, een aardige man in een blauwe stofjas. Natuurlijk word ik een keer in mijn bil gebeten als ik een lange oprijlaan op loop. Ik koop bij Soellaart in Haarlem meteen een alarmpistool en dat schiet ik bij elke serieuze dreiging met honden in de wijk af. Nooit problemen. Er is even een probleempje als een collega het pistool leent, een leren jas aantrekt, een sjaal om zijn hoofd doet en voorom het postkantoor in loopt en ‘Overval’ brult. Hij krijgt een uitbrander van Scheffer en ik krijg gewoon mijn alarmpistool terug. Dat zou nu niet meer kunnen. Toen eigenlijk ook niet hoor 😉
Het was een mooie tijd. Bijkomen van alle emoties die er toch waren geweest, werken met een jofele club kerels en verder lopen, lopen, lopen. In al die maanden maar drie dagen regen!
Voor thuis was het ook goed. Mama was trots op me en heeft een keer stiekem met Scheffer naar me staan kijken terwijl ik de post bezorgde.
Al met al heel gezond leven.
Mama kent rector Rutten nog van de Deo en ergens komt de suggestie tevoorschijn dat ik misschien wel de verpleging in zou kunnen gaan. Het is te laat voor een sollicitatie, de procedures zijn al geweest. Rector Rutten doet een goed woordje bij de opleiding en zo kan ik toch nog terecht.
In september 1971 begin ik in ziekenhuis St.Johannes de Deo met de opleiding tot verpleegkundige A. De eerste stap in mijn loopbaan in de zorg. Daar leer ik Jan Mimpen kennen, mijn hoofd Opleiding, met wie ik nog mooie dingen zou gaan beleven.
Mijn moeder begint een nieuw leven, veerkrachtig als zij is. Cursus Engels, cursus boetseren, zingen bij Koor Katholiek Haarlem, reizen maken naar Indonesië en Israël. Sparen en gaan. Een flesje water uit de Dode Zee staat nog altijd bij me in de kast. En wat rood zand uit de Negev-woestijn (waarvan een deel in de doodskist van Jan Mimpen zou belanden. Als je alles van tevoren wist…)
Een geweldige tijd heeft ze.
Ik ga later op kamers in de Nicolaas v.d. Laanstraat in Haarlem bij dominee met emeritaat Oldeman. Hij is dan kunstschilder. Het huis is wat muffig, maar er valt iets van mijn kamertje te maken. Ik doe de A-opleiding. Ik leer er erg veel, over mijn vak, over het leven, over mijzelf.
Doorbraak
Mijn moeder is weduwe en woont nog in ons ouderlijk huis in Haarlem. Ik ben bij haar op bezoek en zo ook mijn broer met vrouw en vrolijke kinderen. We zitten aan tafel, mama heeft eten gemaakt en dat is meestal eenvoudig maar lekker en voedzaam. Mama is hardhorend. Dat zit in de familie, aan haar kant. Mama kan niet alles volgen van wat er aan tafel gezegd wordt. Wanneer zij op een gegeven moment vraagt wat er gezegd wordt dan houdt mijn broer haar behoorlijk voor de gek en zegt totaal iets anders, waarop er door de anderen gegiecheld wordt. Oma wordt voor de gek gehouden, en dat is wel lachen natuurlijk. Dat oma dat voelt en niet weet hoe zich op te stellen en stil wordt, zwijgt, en erover heen gaat met wat anders, tja. En ik ben zo weinig stoer om er ter plekke iets van te zeggen. Slappe knul. Maar het verbaast me ook, het gebeurt zo onverwacht. Ik ben meer met stomheid geslagen dat mijn broer dat doet en zo houdt.
We lullen wat verder. Want echte dingen worden er niet gezegd. En we houden het ‘ gezellig’.
Een week later ben ik bij mijn moeder op bezoek. Ik woon in Nijkerk en dat betekent een behoorlijke autorit. En we praten samen wat, over koetjes en kalfjes. Zo komen we de tijd wel door. We praten wel maar zeggen niks. Ik weet het onderwerp niet meer, maar ergens in dat gebabbel maakt mijn moeder een nogal normatieve opmerking over scheiden of iets dergelijks. Dat komt voor mij dichtbij, want ik ben getrouwd met een eerder gescheiden vrouw. Maar ik maak er geen botsing van, moeder is een oud mens, dus, laat nou maar. En een half uur later ga ik naar huis.
Ik ben in Nijkerk terug en het zint me niet. Als dit het is, dan hebben we niet meer dan een lul-contact. En behalve dat ik dat zonde vind van mijn inspanning, tijd, kilometers maken, vind ik het nog het ergste dat je elkaar dan eigenlijk kwijt bent. Dus ik neem een besluit.
Haarlem. Ik ben weer op bezoek. ‘Mama, ik wil je wat zeggen. Eigenlijk wil ik dat je een keuze maakt. De vorige keer….’en ik vertel haar wat ik aan de vorige keer ervaren heb. ‘En de keuze die ik je wil voorleggen is dat het aan jou is, mama, of ik hier kom om alleen maar te lullen of ik kom hier ook voor echte gesprekken en een echte ontmoeting, maar dan zeggen we ook alles oprecht tegen elkaar. En dan daarnaast lekker lullen, want dan is er ook een fijne basis. Je mag het zeggen. ’
Daarop barst mama in snikken uit en ze vraagt me om asjeblieft echt te blijven praten. Ze zegt dat ze het weet, dat het zo vaak loopt, omdat ze bang is om alleen te blijven. En ze weet dat juist dat haar zo alleen maakt. Dus, kom maar, laten we ons uitspreken.
We hebben nog heel lang goede echte gesprekken gehad. Over alles. Met wederzijds respect, wederzijdse empathie.
Jaren later, toen zij en doof en blind was geworden zitten we samen op een bankje in Finspong, een zorgcentrum voor die doelgroep in Zeist. Tijdens onze gesprekken stel ik regelmatig vragen over vroeger. Er zijn periodes waarvan ik weinig weet wat er feitelijk in ons gezin aan de hand was. Haar miskramen, een postnatale depressie en haar opname in een rusthuis, mijn gedwongen verblijf bij een tante in België, mijn vader…. Als ik haar weer eens vraag naar die periode, dan wordt het stil.
Na enige tijd zegt ze: ‘Ron, kunnen we afspreken dat dit jouw laatste vraag is over vroeger….?’ Zij wil er niet meer naar toe terug. Dit was het. Leef de vragen. Nu is nu. Einde verhaal.
‘Dat is goed, mama. Helemaal goed. ‘ En we zijn samen stil. ‘Ik hoor een merel’, zegt ze. En we genoten samen. Een merel staat voor ‘thuis’.




2018: aangetroffen op mijn pc op zoek naar materiaal voor mijn boek. Zou dit niet zo gebruiken, maar gooi het ook niet weg. Bewerken dus.
Machteloos
Het zal iets van herfst 1969 geweest zijn. Opeens zag ik haar op de stoep liggen. Generaal de la Reystraat in Haarlem. Het was al donker aan het worden en ik kon haar eerst niet duidelijk zien. Ik rende naar haar toe, knielde bij haar en wist niet wat te doen. Ik schatte haar midden zestig. Was ze bewusteloos of stervende? Ik schrok: was ze dood? Dwars op de straat was verderop een kruising met de Generaal Cronjéstraat. En daar staken steeds mensen over, winkelend publiek. Ik schreeuwde om hulp en kreeg al gauw in de gaten dat men dacht met een dronken kerel van doen te hebben. Uiteindelijk kwam er iemand omzichtig de straat in naar ons toe en begon anderen te alarmeren. Het was afschuwelijk dat ik niet in staat was om ook maar iets zinnigs voor deze vrouw te kunnen betekenen. Misschien was ze met reanimatie nog gered? Maar dat kon ik niet. Bij aankomst van de politie bleek dat zij inderdaad was overleden. Waarschijnlijk was zij al dood toen ik haar vond. De politie noteerde mijn naam.
De volgende dag werd ik op school, de Kweekschool in Beverwijk, door de directeur uit de klas gehaald. Er was telefoon. Politie. Ze wilden het verhaal nog even doornemen en men bedankte me voor mijn … ja. De directeur reageerde, terwijl hij alvast de trap in de school afliep en mij achter liet, wat verschrikt op de toon waarop ik in de hoorn uitsprak: ‘Ja, ik heb haar gevonden en ze was al dood.’ Ik herinner het me nog goed. De koele stelligheid van mijn woorden maskeerden eigenlijk mijn voelen. Ik mocht niet voelen, wilde niet voelen, de schrik, de confrontatie met de dood, mijn onmacht Iets in mij weigerde dat toe te laten. Niet voelen. Doorgaan.
Enkele – voor mij- leerzame anekdotes.
Via diverse leerzame relaties vestig ik me met de latere moeder van mijn kinderen in Nijkerk.
ZUIVERHEID
INTEGRITEIT
LIEFDE
TROUW
GEDULD
PASSIE
DEVOTIE
MEDEDOGEN
INSPIRATIE
DOELGERICHTHEID
TRANSPARANTIE