Diagnose onbekend.
Natuurlijk! Het zijn andere tijden. We schrijven de jaren ’70. De kwaliteit van de zorg is op zich goed. Er is vooral ook veel werkplezier in ‘ons’ ziekenhuis, St. Joannes de Deo in Haarlem. Er bestaan veel foto’s van de talloze grappen en grollen die het personeel onderling uithaalt.
Zelf heb ik het plezier om met enkele mede-enthousiastelingen iets van een cabaretvoorstelling neer te zetten rond de Dag van de Verpleging, met thema’s als de Zusterflat, met in de hoofdrol de mentrix en mentor van de verblijven van de intern wonende leerlingen, de Disposable-song, een manier van het samen, leuk kritisch, aan de orde stellen van dingen, iets dat ik in een latere werksituatie in ‘t Noordwijkerhoutse Sancta Maria zal voortzetten
Het is ook een andere tijd qua cultuur over de visie op zorg en de wijze van betrekken van de patiënt bij diens gezondheid en ziekte.
Het is niet de gewoonte dat de patiënt inzage heeft in diens eigen informatie, zoals lab-uitslagen, temperatuurlijsten, beoordelingen van röntgenfoto’s, etc. Patiënten worden ook niet als vanzelfsprekend geïnformeerd over hun aandoening:
Ik werk als eerstejaars op de Interne Afdeling en ga de mijnheer op kamer 262 wassen. De man is erg kortademig, hijgt hoorbaar. Ik groet hem, zet de waskommen op het nachtkastje en wil met hem samen zijn pyamajasje uittrekken om de wasbeurt te beginnen. De man zit op de rand van zijn bed, we zijn alleen in de kamer. Opeens grijpt hij me bij mijn strot en zegt op indringende toon: ‘Zeg me godverdomme of ik kanker heb! Jij weet het! Zeg het! Ik heb kanker, hè?’
Zulke uitspraken doen is ten strengste verboden aan leerling-verpleegkundigen.
Je hebt je niet met diagnoses te bemoeien en al helemaal niet met mededelingen hierover aan de patiënt. Dat soort mededelingen doen is voorbehouden aan de arts. En de arts van deze patiënt staat bekend als een zeer gelovig mens die in alles de Hoop overeind wil houden. In zijn visie wordt iets als Hoop getorpedeerd door de waarheid dat je kanker hebt. Dus nee, die informatie krijgt deze patiënt niet. Niet van de dokter, dus ook niet van mij, omdat dat streng verboden is.
‘Dat mag ik u niet zeggen’, reageer ik, terwijl ik alles afweet van zijn uitgezaaide longkanker, ‘Vraagt u het nog eens aan de dokter.’
‘Ik heb ‘t, ik weet ‘t. Ik ga eraan.’ Zegt de man en ik zie z’n hopeloosheid en vooral zijn hulpeloosheid.
De wasbeurt verloopt verder in een oorverdovende alwetende stilte.