Prelude

Machteloos

Het zal iets van herfst 1968 geweest zijn. Ik kom van een koorrepetitie, doe net de deur van de zaalruimte achter me in het slot. Opeens zie ik haar op de stoep liggen. Het is al donker aan het worden en ik kan haar eerst niet duidelijk zien. Ik ren naar haar toe, kniel bij haar en weet niet wat te doen. Ik schat haar midden zestig. Is ze bewusteloos? Stervende? Ze lijkt me zelfs al dood! Dwars op de straat is verderop een kruising met de Generaal Cronjéstraat. En daar steken steeds mensen over, winkelend publiek. Ik schreeuw om hulp en krijg al gauw in de gaten dat men denkt met een dronken kerel van doen te hebben. Uiteindelijk komt er iemand omzichtig de straat in naar ons toe en begint anderen te alarmeren.  Mevrouw lijkt te zijn overleden.

Het is achteraf afschuwelijk dat ik niet in staat was geweest om ook maar iets zinnigs voor die vrouw te hebben betekend. Misschien was ze met reanimatie nog gered? Bij aankomst van de politie bleek dat zij inderdaad was overleden. Waarschijnlijk was zij al dood toen ik haar vond. De politie noteerde mijn naam adres.

De volgende dag word ik op school, de Kweekschool in Beverwijk, door de directeur uit de klas gehaald. Er is telefoon. Politie. Ze willen het verhaal nog even doornemen en men bedankt me voor mijn …  ja, voor wat?  De directeur reageert wat verschrikt op de manier waarop ik in de hoorn uitspreek: ‘Ja, ik heb haar gevonden en ze was al dood.’ Ik herinner het me nog goed. De koele stelligheid van mijn woorden maskeren eigenlijk mijn voelen. Ik mag niet voelen, de schrik, de confrontatie met de dood. Iets in mij weigert dat toe te laten. Niet voelen, gewoon doorgaan.

Dit incident zal niet rechtstreeks de reden worden dat ik drie jaar later de zorg in ga. Toch speelt het op de achtergrond mee. Met name wanneer ik later, al reflecterend, mezelf herinner hoe onbedreven ik daar met voelen omga. Daar viel nog het nodige in te leren en dat is me, ‘ with a little help from my friends ‘ , gelukkig goed gelukt.

 

Er wordt hier gestolen!

Na afloop van een bijeenkomst voor Vrijwilligers van een Kloosterverzorgingshuis vraag ik hen:

Tevreden? Ja.  ‘Maar’, zei de Vrijwilligster, ‘we hebben nog geen concreet  antwoord gehad op de vraag hoe we het beste kunnen reageren op de opmerking van de zuster:  ‘Er wordt hier gestolen!’.

Ai, dat zint me niet. En dus, aan het werk. Misschien wel beginnen aan het boek dat eigenlijk niet geschreven kan worden. Omdat er geen beste manier is. Misschien dan een paar manieren aangeven, met hun mogelijke effecten. Plus opnieuw onderstrepen dat de hulpverlener/vrijwilliger zich bewust moet zijn van wat hij/zij eigenlijk wil bereiken, wat hij/zij zich ten doel stelt.  Bewust, maar vooral ook onbewust. Onbewuste drijfveren zijn de lastigste en soms de gevaarlijkste. Zij dwingen je iets na te streven dat vaak niet reëel is, dat onmogelijk is. Dat bereik je dus niet. Dat je dat niet bereikt betekent nog niet dat je een ondeugdelijke hulpverlener/vrijwilliger bent. Je moet je doelen bijstellen, accepteren dat je niet kunt bereiken wat je niet kunt bereiken. Je moet je geen illusies maken.

Ik ga wat gesprekjes uitschrijven.  Ik wil u vragen kritisch te zijn naar uzelf als u verder leest en er een reactie bij u opkomt in de trant van: maar dit WERKT zo niet, de praktijk is anders….  . Op zo’n moment ben ik er haast van overtuigd dat u een effect bij de zuster wenst, wat ongeveer betekent dat het gedrag van de zuster verandert of zelfs ophoudt. Dat kunt u willen en wensen, maar dat gaat niet gebeuren. Dit gedrag bij de zuster zet waarschijnlijk door. Het is misschien  haar manier om op een symbolische manier aan te geven dat zij zichzelf verliest. Haar (zelf-)verdediging is om dit in de vorm te gieten waarin zij anderen beschuldigt. Dus inderdaad, alles wat ik nu verder schrijf WERKT dus niet zo dat dat verandert of zelfs ophoudt.  Wat het wel doet is dat u eventueel kontakt krijgt en houdt met de zuster, dat zij zich niet afgewezen voelt, misschien zelfs gesteund voelt. Dat is wat deze bejegening beoogt te bereiken en dat is wat mijns inziens vaak WEL mogelijk is.

Dat anderen, mede-zusters, er op een vervelende manier door geraakt worden, neem ik voor lief en zet daar ook een bepaalde bejegening tegenaan, zodat zij zich op hun beurt serieus genomen voelen en gesteund.

Dat de  sfeer er soms onder te lijden heeft neem ik voor lief. Ik heb en houd het ook graag gezellig. Maar het leven is ook (samen) lijden en dat vraagt ruimte en eist zijn tol. Het zij zo. Stop ermee u dat zo persoonlijk aan te trekken, als u dat al doet.

 

Terug naar de opmerking: Er wordt hier gestolen.

Laten we eerst een paar logische dingen vaststellen.

Als er werkelijk sprake is van een vorm van stelen, iets dat in werkelijkheid helaas ook in de zorg voorkomt, dan dienen we te handelen overeenkomstig deze realiteit. Je zoekt de dader, doet eventueel aangifte als het een medewerker betreft, etc.

In het geval van deze zuster is het waarschijnlijk niet de werkelijke waarheid. Het is de manier waarop de zuster vermoedelijk aangeeft dat zij de grip op haar leven aan het verliezen is. Dat ze voor haar belangrijke dingen te goed verstopt, vergeet waar zij ze laat, en dan roept dat er wordt gestolen. Datzelfde kan ook zonder dat zij feitelijk voorwerpen te goed verstopt. Het kan puur beleving zijn.

Er wordt hier gestolen!    Te goed verstopt

Stel dat het gaat om spulletjes waarvan onze ervaring leert dat zij ze waarschijnlijk goed verstopt heeft, dan hebben we een aanleiding om te gaan zoeken of met haar te gaan zoeken en vinden. En dat dan op een manier dat zij zich niet voor schut gezet voelt.

Het te goed verstoppen komt veelal voort uit de ervaring dat je regelmatig je spulletjes kwijt bent, ze kostbaar of belangrijk vindt en ze dus op een plaats neerlegt waar je ze zelf kunt terugvinden en anderen niet. Echter, je geheugen laat je in de steek, je vergeet de goede verstopplaats en het kwaad is geschiedt. Soms weet een beginnend dementerende heel goed dat het aan het falen van het eigen geheugen ligt. Dan nog moet je wel erg stoer zijn wil je zeggen: tja, sorry, ik ben vergeetachtig, het is mijn eigen schuld. Veel beginnend dementerenden schamen zich, zijn bang door de mand te vallen en een voor de hand liggende optie is dan om een ander de schuld te geven. Dat kost je je relaties misschien, maar dat is soms de prijs van het voorkomen van gezichtsverlies wel waard.

Een gesprekje hierover kan dan als volgt verlopen:

Zr: Er wordt hier gestolen!

Vw: Zuster, wat bent u kwijt?

Zr: Mijn….. (zakdoeken, horloge, rozenkrans, wat dan ook)

Vw: Zuster, voordat we denken dat er gestolen wordt, waar kan het eventueel liggen?

Zr: Nergens, ik zeg toch dat hier gestolen wordt! Ik ben niet gek hoor!

Vw: Dat hoort u mij ook niet zeggen. Aan de andere kant kan ik niet zo gauw bedenken wie hier steelt.  Het gebeurt ons allemaal wel eens dat je iets weglegt en dat je je dat niet kunt herinneren. Zou dat nu ook het geval kunnen zijn? Mag ik u eerst eens helpen zoeken….? In uw kamer misschien? Kom…

Zr. Nou, ik geloof er niks van!

Vw:  Zullen we?  (Biedt de zuster een arm, gaan naar haar kamer, en vinden samen wat kwijt was)

Vw: Kijk, volgens mij hebben we het hier. Is dit wat u bedoelt? ( En niet: ‘Ziet u wel, ik wist het wel, u hebt het hier gewoon zelf neergelegd en bent het vergeten…! ‘ Want dan wrijf je zout in de wond).

 

Er wordt hier gestolen! (terwijl er niets weg is feitelijk)

De uiting is misschien een symbolische manier waarop de zuster aangeeft in een belevingswereld te zijn waar alles haar ontglipt. Dat is ook de kern van het proces van dementie. Stukje bij beetje, en soms heel radicaal, verlies je de grip op dingen. Er is sprake van desoriëntatie, in tijd, in plaats en vervolgens in persoon. Ten diepste raakt de mens uiteindelijk volledig het besef kwijt van de eigen persoonlijkheid.

De beleving en de bijbehorende beeldende uitspraak: er wordt hier gestolen! zijn bij dementie heel bekend. Degene die reageert op de dementerende dient zich van dit proces bewust te zijn en dient in te calculeren dat de beleving van deze mens zich zal blijven herhalen, het is of wordt een patroon, niets aan te doen. Niets aan doen, dus. Accepteren en leren hanteren!

Wij moeten ons er van bewust zijn dat we, naast onze neiging om er iets aan te willen veranderen, de neiging hebben om ANTWOORD te willen geven op de situatie op FEITELIJK niveau.

Zr: Er wordt hier gestolen!

VW: Nou, dat zal wel niet, we zijn hier toch met zusters onder elkaar?

Of: U bent wel vaker wat kwijt, we gaan zo wel op uw kamer zoeken.

 

Het gaat er niet om dat deze reacties verkeerd zouden zijn. Het gaat erom dat we andere mogelijkheden krijgen als we meer belevingsgerichte reacties toepassen. De kern van deze reacties vinden jullie terug in de tijdens de ochtend uitgereikte reader.

 

Ik haal ze erbij en geef een voorbeeld per techniek.

 

7.2.  Verbale technieken

  • Stel open, onderzoekende vragen op een niet bedreigende wijze. Deze vragen beginnen met – wie, wat, waar, wanneer, hoe, etc. Stel liever niet ‘waarom’-vragen. ‘Waarom’ roept ter verantwoording, vraagt om een verklaring. En dat kan een gedesoriënteerde bijvoorbeeld vaak niet goed meer hanteren. Het schept afstand. Zoals: waarom huilt u zo? Waarom wilt u naar huis? Dus liever: waar wilt u heen? Wie is daar? Wat gaat u met ze doen? Hoe ver is dat wel niet?  Bij dat soort vragen stroomt het gesprek meer.

 

Zuster, wat bent u kwijt?

Wat kan ik voor u doen?

Wat/wie zou u het beste hiermee kunnen helpen?

Wat betekenen die spulletjes voor u?

Wanneer heeft u … voor het laatst gezien?

Wanneer wordt er van u gestolen?

Wie heeft er volgens u gestolen? Wie niet?

Hoe is dat nou voor u dat uw spulletjes gestolen worden?

Hoezo denkt u dat u spulletjes gestolen zijn?

 

(verzin er zelf nog maar een paar bij en vis eens uit wat de beste reactie kan zijn in de situatie die u in de praktijk tegenkomt)

 

De essentie is dat de zuster zich serieus genomen voelt! Zo mag je stem dan ook klinken en je mimiek mag eraan meedoen…

 

 

  • Herhalen van wat de persoon zojuist tegen je zegt, met dezelfde intonatie of met bevestigende of vragende toon. Door te herhalen volg je de persoon in zijn verhaal en bevestig je dat je erbij bent betrokken. Het lijkt op papegaaien, maar het heeft een andere bedoeling. Papegaaien is niet respectvol. Herhalen doe je met rapport, met de intentie om contact te maken.

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW: Er wordt hier gestolen!( op een toon welke overeenstemt met die van de zuster) Ook is alleen het herhalen van het woord ‘gestolen’ hier voldoende.

Zuster: Ja, ze komen hier zo maar aan je spulletjes

VW: Zomaar..

Zuster: Ja, als je d’r niet bent natuurlijk ook nog…

——-  ————-  —————  —————–  ————-  —————-  ————-

VW: Dat is heel vervelend, want je wil de mensen kunnen vertrouwen ( is andere techniek)

 

.      Samenvatten, het bij elkaar rapen van de belangrijkste dingen die er gezegd zijn, met dezelfde sleutelwoorden. Door het verhaal samen te vatten bied je overzicht en rust. De ander krijgt tijd om op verhaal te komen.

 

VW:  Dus, zuster, u had een tijdje terug uw horloge nog en nu is het weg en u heeft de overtuiging dat iemand het gestolen heeft en daar bent u boos over ( gevolgd door een vraag, zoals: ‘En zuster, wat nu? Zullen we….’, etc)

 

  • Woorden gebruiken die verschillende dingen tegelijk kunnen betekenen. Dat heet ‘Meerduidigheid’. Voorbeelden van dat soort woorden zijn: iets, het, dat, zij, hij, etc. Vooral als je niet zeker weet wat er bedoeld wordt en je wilt toch aansluiten. Dan klopt een meerduidig woord in feite altijd. En dan blijf je in contact. Voorbeeld: de bewoner zucht. Je weet niet waarom, maar je zegt: het valt ook niet mee. Waar het ook over gaat, het woordje het is in dit geval altijd goed. “Vindt u het moeilijk?” Zucht ! “Wat is dat mooi, hè?”

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW: Dat is vervelend voor u.  Of: het is erg hoor!

 

  • Benoem door jou waargenomen emoties als je denkt dat dat ondersteunend werkt. Als je een ervaren gevoel benoemt en het klopt, dan voelt de ander zich meteen begrepen. Voorbeeld: een bewoner komt zenuwachtig over. Je zegt “ U bent báng….”

De bewoner reageert meteen, heftig knikkend, en pakt je hand vast.( Dat was raak, goed zo.) Als de bewoner  je vreemd aankijkt dan was het mis. Nou en? Volgende poging. ‘Ach nee, u bent verbaasd!”  (Yes! Raak!)

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW:  Verschrikkelijk!   Of: U bent verbijsterd ( geschokt, boos, verdrietig, bang) Het maakt u razend. Het is niet fijn om ergens te zijn waar u denkt bestolen te worden!

Of: u raakt alles steeds meer kwijt….! ( met mededogen, en uitnodigend om er zo eens naar te kijken….)

 

  • Reminiscentie, herinneringen ophalen – hoe was het vroeger, hoe ging het voordat…

eventueel aan de hand van een opgesteld Levensboek.  Dat ophalen van herinneringen kan betekenis krijgen, omdat men daarmee meer zicht krijgt op hoe men vroeger problemen oploste en die manier ook zou kunnen gebruiken in het hier en nu. Men kan zich weer trots voelen om dingen die men heeft meegemaakt of gepresteerd. Foto’s aan de wand, spulletjes op het kastje, allemaal materiaal om reminiscentie toe te kunnen passen.

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!  ->Deze techniek is hierbij niet direct van toepassing)

 

  • Vraag naar uitersten: wat vindt u het mooiste, ergste, fijnste, beste, etc. Door het uiterste beet te pakken wordt de beleving preciezer en (her-)beleeft de persoon ook het intense gevoel dat daarbij hoort.  Het werkt versnellend, je komt al gauw tot de kern waar het om draait. De toon waarop je deze vraag stelt is erg belangrijk. Deze dient uitnodigend te zijn. Risico is anders dat de uiterste-vraag als vijandig kan worden ervaren.

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW: Wat vindt u het ergste? Wat mist u het meeste? Wat maakt u het meest boos, verdrietig?

 

 

  • Vraag naar het tegengestelde – wanneer gaat het wél goed, wat deed u de vorige keer toen dit gebeurde, wat doet u om zich beter te voelen? Deze vragen helpen bij de zoektocht om de juiste verhouding terug te vinden tussen twee situaties.

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW: wanneer had u het nog? Waar vond u het de vorige keer? Waar legt u uw kostbare spulletjes het liefste neer of weg? Bij wie voelt u zich het meest op uw gemak?

 

 

  • Samen een oplossing vinden: wat deed u de vorige keer toen dit gebeurde, wat doet u gewoonlijk om zich beter te voelen?

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW: wat kunnen we nu het beste doen? En wat als het kwijt blijft? Hoe doen we dat een volgende keer beter?

 

 

  • Leg een relatie tussen het gedrag en een mogelijke behoefte waar blijkbaar niet aan is voldaan: liefde, veiligheid, nuttig zijn en breng dit onder woorden:  ‘Bent u zo vaak in de steek gelaten? Dat doet pijn, hè?’   Of, zo het te pas komt, kun je iets plaatsvervangends inbrengen: “  als ik uw mede-zuster was dan zou ik blij zijn met zo’n wijze vrouw als u….”

 

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

VW: Het valt ook niet mee als dingen je zo ontglippen, dat maakt onzeker, he?

U heeft graag alles onder controle, dat voelt het veiligste, toch?

U heeft altijd alles onder controle gehad en dan valt het niet mee als je merkt dat je dingetjes begint te vergeten..?

Of: je wilt je toch graag veilig voelen als je hier met elkaar woont, toch?

Of: ook niet gemakkelijk om met zoveel mensen in een huis te wonen…

Of: je wil liever mensen kunnen vertrouwen, toch?

 

 

  • Een algemeen geldende wijsheid verwoorden. Bijvoorbeeld : een moeder is altijd blij met een dochter die zo goed helpt.  Nuttig zijn is belangrijk.  Ieder huisje heeft zijn kruisje. Zoals het klokje thuis tikt….  Dat geeft het gevoel dat we dat samen eens zijn, delen. En dat voelt prettig. Spreekwoorden gebruiken is vaak heel welkom.

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

 

( Ha, geachte lezer van dit artikel, ik kom hier in alle stoutheid op:  ‘zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten’, maar dat lijkt me geen goeie! Denkt u eens mee en stuur me eens wat op? Ron.)

 

VW: …..

 

 

 

  • Sluit aan op het voorkeurszintuig, zoals al eerder aangegeven: wij gebruiken in ons taalgebruik woorden als horen, zien etc. We hebben, ook al zijn we ons dat niet bewust, allemaal een voorkeur voor een zintuig. We gebruiken die woorden in onze eigen communicatie. “Ik zie het anders….”. “Het voelt niet goed”. Welk zintuiglijk woord gebruikt een ander het meest?  Sluit aan bij dat favoriete zintuig van de ander. Het bevordert het contact. Vaak kun je het favoriete zintuig ontdekken door goed op de woorden te letten  die een gedesoriënteerde gebruikt.

Zuster: Er wordt hier gestolen!

Afhankelijk van het gegeven of de zuster een ziener, voeler, ruiken, proever of hoorder is kunt u de keus maken voor een reactie op dat zintuiglijk niveau:

 

Wanneer heeft u het voor het laatst gezien? (zien)

Hoe is dat voor u om … kwijt te zijn? (voelen)

Dat klinkt niet best (horen)

Daar zit een luchtje aan (ruiken)

Daar zit een vervelende bijsmaak aan ( proeven)

 

 

Een belevingsgericht gesprek kan leiden naar de werkelijk onderliggende pijn en wanhoop die de zuster van binnen ervaart. Een fantasie:

 

Zuster: Er wordt hier gestolen!

V: Gestolen! Dat is niet best! Wat bent u kwijt? ( benoemen en open vraag)

Zr: Mijn geld. Ik had een briefje van tien los in de zak van mijn vest en het is weg!

V: Ach, da’s niks voor u, u bent altijd zo zorgvuldig op uw spulletjes…. ( bevestigen, plus onderstrepen dat de zuster altijd zo is geweest. Dat maakt de pijn meer voelbaar dat het nu niet meer zo is. )  Waar kan het nou zijn?

Zr: Dat zeg ik: gestolen!

V: Dat zou wel erg zijn, dat betekent dat iemand anders hier een dief zou zijn… Voor we zover gaan, waar kunnen we samen even zoeken? Mogen we even naar uw kamer?

Zr: Dat heeft geen zin, daar is het niet. ( maar de zuster loopt wel met me mee)

 

Op de kamer, even gezocht, maar niet gevonden. Want het was feitelijk ook niet weg, het tientje heeft nooit in dat vest gezeten, het is een symbolische vertaling van alles wat de zuster kwijtraakt momenteel)

 

V: We vinden het niet he?

Zr: ik raak ook alles kwijt!

V: Ja, het wordt erger, zuster, dat u dingetjes vergeet… (benoemen)( ik maak het soms expres kleiner –dingetjes- als dat ik het aanvoel, om wat boosheid los te maken, een sleutel naar openingen)

Zr: : Dingetjes…!? Het is om ellendig van te worden. Je weet niet wat je gebeurt. Wanhopig word ik ervan! ( in haar stem iets van een snik)

V: vreselijk. Het is ook niks voor u. Dat is het hem juist: het gebeurt u wel! Erg, he?

Zr. Het maakt me zo bang…

V: waar bent u het meeste bang voor….? (uiterste vraag)

Zr: dat je alles kwijtraakt, dat je straks niks meer weet! Dat is toch vreselijk, dat wil toch niemand? Hoe moet dat dan verder?

V: dat zijn vragen waar niemand een antwoord op heeft, moeilijk is dat, he? (algemeen geldende wijsheid)

Is er iets of iemand waar u troost of steun bij vindt?

Zr: Nou, op zo’n moment denk je dan dat God….maar dat valt niet mee, hoor. Je voelt je in de steek gelaten..

V: Zo alleen voelt u zich dan wel op zo’n moment…(benoemen)

Zr: Ja, dat is best gek voor een zuster, maar het is wel zo. Waar is Ie dan op zo’n moment?

V: Niemand schijnt aan zijn eigen lijden te kunnen ontkomen…. (algemeen geldende wijsheid)

Zr: Dat is zo. Kracht naar kruis, zei mijn moeder altijd.

V: een wijze vrouw, uw moeder….?

Zr. Ze had wijze kanten…..

V: heeft u iets van haar, of meer van uw vader….?

Zr. Ik ben meer mijn vader. Ik doe altijd alles in mijn eentje…..

V: dan is het wel heel bijzonder dat we dit nu even samen mogen delen. Dank u wel voor uw vertrouwen.

Zr. Jij bedankt……. Ik wil wel even rusten nu, kan dat?

V: Tuurlijk. Wanneer zal ik u komen roepen? Met de thee? En dan nog kunt u zelf bekijken of u er al weer aan toe bent…?

Zr: Ja, dat is fijn. Dank je.  Tot straks dan.

 

 

Natuurlijk kan een dergelijk gesprek alle kanten op. Deze loopt mooi. Vaak lopen ze mooi. De kans dat het mooi loopt hangt voornamelijk af van de begripvolle, maar evengoed confronterende, houding van de gesprekspartner. Ik, Ron, houd van de weg van de Milde Confrontatie. Ik merk dat die vaak de weg vrijmaakt voor een werkelijke ontmoeting. Voor een noodzakelijke en gewenste ontmaskering.

Wees iemand waar de ander zichzelf bij durft te zijn.  Delf mijn gezicht op, maak en houd mij mooi….

 

Het was me een genoegen jullie te spreken afgelopen week. Ook vond ik het prettig dit er nog even achteraan te doen. Ik hoop dat u er iets aan heeft bij uw eigen zoektocht naar de manier van reageren.

 

De kernbegrippen zijn:

 

Bewustwording bij uzelf, van uw eigen wensen, behoeften, prikkels

Invoelend vermogen verder ontwikkelen

De ander niet willen veranderen

Acceptatie van het gedrag van de ander

Zoeken naar de symbolische betekenis ervan

Meebewegen en ombuigen

Zo nodig het gedrag begrenzen ( Zuster! Zuster ….. steelt niet en u mag zulke dingen niet zomaar beweren)

Niet bang zijn voor heftiger emoties. Geef ze de ruimte en bescherm de persoon/anderen.

Voel uzelf niet te verantwoordelijk voor een goede sfeer. Een sfeer kan ook een goede sfeer zijn als het af en toe eens mag spetteren en weer opklaren.

 

Succes ermee en wie weet zien we elkaar nog eens.

 

Ron Overtoom, QuaZijn

www.quazijn.nl

 

Geschreven op zaterdag 23 maart 2013, naar aanleiding van een cursus Bejegening voor Vrijwilligers in een Kloosterverzorgingshuis te Amersfoort.

Examen Bloopers

Examen-bloopers

Oké, het is een beetje tricky om iets te vertellen vanuit examens waarbij erg gelachen is. Je wil mensen niet belachelijk maken. Ik herinner me minder situaties dan dat er voorgevallen zijn, maar deze onthield ik.

We beginnen met het vak psychologie. Docent Boudewijn heeft er zin in en heeft zijn vragen klaar. Ik vervul de rol van huis-gecommitteerde.

De student Johan, die eerst over de behoeften-piramide van Maslow is doorgezaagd,  krijgt de volgende vraag:
“Vertel me eens, wie was dan Pavlov”.

Voor diegenen onder de lezers van deze verhalen die Pavlov niet kennen: Pavlov was een russische fysioloog, die bekend werd door zijn test met honden die eerst kwijlen bij de combinatie van het krijgen van eten en een belletje dat dan rinkelt, en later alleen al bij het horen van dat belletje. De Pavlov-reactie, klassieke conditionering.

Johan krijgt de vraag ‘wie was Pavlov’, en zwijgt stil. ‘Weet ik niet”, zegt hij even later.
“Kom kom, gaat er geen belletje rinkelen als ik de naam Pavlov noem.” zegt de docent psychologie.

Nee, er ging geen belletje rinkelen.

 

Van een andere orde is het verhaal van Lucy, tweede jaars leerling, eindexamen somatiek.

Lucy komt het lokaal binnen waar de examens anatomie/pathologie afgenomen worden. Ik vervul wederom de rol van huis-gecommitteerde.  Lucy is zichtbaar nerveus. De eerste vragen beantwoordt ze aarzelend, waarna de docent anatomie een plaquette pakt, een dwarsdoorsnede van een orgaan, en deze voor haar op tafel legt.

“Wat zien we hier? ”, vraagt hij.
Voor Lucy op tafel prijkt de dwarsdoorsnede van een mannelijk geslachtsorgaan. Van de docent uit altijd wel een beetje een gewaagde zet.

Lucy kijkt naar de dwarsdoorsnede en vertrekt geen spier. Zij pakt het ornament vast, draait het een paar keer om z’n as, bekijkt het vanuit verschillende invalshoeken.

Met enige beslistheid zegt zij: ‘Een oor !’

De docent verschiet van kleur, houdt een opkomende schaterlach binnenboord en vervolgt: “Oké, vertel maar wat je zo ziet….”

Lucy wijst op de testikel en zegt: ‘Het binnenoor……’ Ze wijst op het verloop van de pisbuis en zegt: ‘de buis van Eustachius…..’. en  valt stil.

“Ja, we laten ons door jou geen oor aannaaien natuurlijk….”  zegt de docent en helpt haar uit de droom.
Het examen mondt uit in een onvoldoende, mede doordat de meeste andere vragen niet goed of niet werden beantwoord. Twee drieën, waarmee gezakt voor het tweede leerjaar.

In de pauze gaat het nieuws al gauw rond en de grappenmachine komt al snel op gang.

“Mag ik mijn oor bij jou te luisteren leggen? ”, vraagt iemand steels. “Ik heb daar wel oren naar”, zegt hij nog.
“Moet morgen mijn oren laten uitspuiten”, reageert een ander.
“En ik zal jullie even de oren wassen”, probeert nog iemand de vorige spreker te overtreffen.

Arme Lucy, het heeft haar wel een poosje achtervolgt, tot de lol er bij iedereen af was. Zelf kon ze er op een gegeven moment ook wel om schateren en bedacht ze zo haar eigen variaties op het thema.

Poortwachter zijn

Poortwachter zijn

Ik heb gedurende mijn loopbaan als docent verpleegkunde talloze examens afgenomen. Ik herinner me veel fijne momenten. Momenten waarop je met elkaar kunt vaststellen en vieren dat er op een goede manier een eindstreep is behaald. Enkele momenten blijven me bij, sommige zelfs met naam en toenaam. Daar was iets bijzonders mee.

Eindexamenkandidaten voor de opleiding tot verpleegkundige-B krijgen als laatste onderdeel een eindgesprek, waarin zij aangeven wat er volgens hen met de in de casus geschetste patiënt aan de hand is en wat de beste benadering zal zijn.

Bij het gesprek zijn aanwezig: een verpleegkundige uit de praktijk, een vakdocent en een rijks-gecommitteerde. Deze laatste heeft tot taak om te controleren of de examens aan de landelijke eisen voldoen. De docent verpleegkunde is voorzitter.
Tijdens het half uur voorbereiding op het gesprek ontwerpt de eindexamenkandidaat een behandel/verpleegplan. Tijdens het eindgesprek schetst hij dat plan voor de eindexamencommissie en wordt daarop bevraagd. Na 45 minuten beoordeelt de commissie de kwaliteit van de inbreng van de kandidaat en scoort voldoende of onvoldoende.

Ziekte van Huntington
De casus van dit eindgesprek gaat over een mijnheer die lijdt aan de ziekte Chorea van Huntington. Een ziekte waarbij hij, o.a. door spasmen in de armen, niet meer in staat is om met bestek zijn eten naar binnen te werken. Hij gebruikt daarvoor zijn vingers. Dat leidt tot stevige opmerkingen bij medepatiënten, waarvan steeds wordt gevraagd om netjes met vork en mes te eten.  Eén van de vragen bij de casus is dat de eindexamenkandidaat voorstellen doet, hoe hij vindt dat er met mijnheer omgegaan moet worden.

Op een bepaald moment stelt de leerling-verpleegkundige, dat wat hem betreft de patiënt moet worden onderworpen aan een gedragstherapeutische interventie, met behulp van een tokon-economy-systeem, om hem te dwingen weer met mes en vork te eten.
Ik schrik me een hoedje. Pas later, als ik erop reflecteer weet ik: dit was voorspelbaar bij deze leerling. Ik had het eerder bij hem meegemaakt. Zijn idee komt er namelijk – vergelijkenderwijs- op neer dat je de suggestie doet om bij iemand, die een halfzijdige verlamming heeft, te eisen dat hij weer op twee benen leert staan. Een onmogelijkheid.
Het verbaast me achteraf dus niet. Want eerder al was er een situatie in de praktijk waarbij de leerling een grove miskleun had gemaakt. In dit geval bij de verpleging van een manisch psychotische vrouw met seksuele ontremming. In haar ontremming wilde zij weer eens voelen hoe een mannelijk geslachtsdeel voelde en de leerling had haar haar hand in zijn broek doen steken. Meer dan alleen een blunder. Grensoverschijdend en super-dom. Mevrouw had na haar psychose nog haar heldere herinnering hierover en heeft zich te pletter geschaamd. Tot een klacht kwam het toen niet.
In die situatie werd de leerling de hand boven het hoofd gehouden en hij werd gespaard.

De misser die ikzelf bij dit eindgesprek bega is dat ik zó geraakt word door zoveel dommigheid, er verbouwereerd door ben, boos word en bij mijn beoordeling van het gesprek aangeef dat ik vind dat de kandidaat niet mag slagen als hij dit soort indrukwekkende blunders maakt.

Ik vermoed dat ik de commissie daarvan had kunnen overtuigen als ik rustig was gebleven. In dit geval ging dat mis. Mij werd verweten dat ik persoonlijk geraakt was en daarmee niet meer objectief kon zijn naar de kandidaat, aldus de praktijkverpleegkundige. Dat ik zelf twijfels had over de objectiviteit van de praktijkverpleegkundige (men kwam al eerder mee als collega en advocaat van de kandidaat in deze gesprekken) slikte ik in. Dat was ook nooit hard te maken.
Met de opmerking van de vakdocent dat de kandidaat vast geschikte collega’s zou hebben mocht hij in de praktijk nog wat te leren hebben, kreeg deze kandidaat – onder het gezag van de rijksgecommitteerde- het voordeel van de twijfel.
Het deed mij pijn, maar formeel had men wellicht gelijk. En het is niet de eerste keer dat er personen bij en over de eindstreep komen, terwijl er gegronde redenen zijn tot grote zorg over hun kwaliteiten. Zoiets komt vaker gedurende mijn werkzame leven voorbij. Als latere opleider en supervisor heb ik daar een betere vorm in gevonden.
Men leert altijd, dus ook ik.

Later maak ik veel werk van het fenomeen ‘Cesuur’, de meetlat waarlangs je een student en zijn/haar prestaties legt om de prestaties met elkaar te kunnen vaststellen. Zo’n ‘cesuur’ moet je als opleider helder krijgen en maken. De toetssteen. Die ook helderheid moet geven aan de studenten over wat er verwacht wordt en waar je op beoordeeld wordt.

En met elkaar op scherp zetten dat je Poortwachter bent. Als opleider, als collega/werkbegeleider en mede-toetser. Je bent er verantwoordelijk voor dat iemand op eigen kracht het veld ingaat, tot de beroepsgroep wordt toegelaten, op mede jouw verantwoording.  Dan is wat mij betreft ook niet steeds de toets-prestatie doorslaggevend. Ooit liet ik een eindgesprek stilleggen en vroegtijdig afsluiten toen een leerling geen woorden had. In de stilte was zijn aanwezigheid als een weldaad. Naar inschatting van de commissie een goede verpleegkundige, met name voor de patiënt die niet uit de voeten kan met het vele verbale geweld zoals je dat vaak in de praktijk wel tegenkomt. De man ‘ voelde en wist’  zichtbaar van binnen alles. Wel arbitrair. Klopt. Ik neem van harte de verantwoordelijkheid 😉

 

Brief aan Judith die haar demente moeder moet wegbrengen

Een brief die ik stuurde aan de dochter van een vrouw met dementie, die uit huis geplaatst moest worden en waarbij de dochter zich voor dilemma’s geplaatst weet.

 

Beste Judith,

(Een brief op verzoek aan een dochter die haar moeder zal wegbrengen naar een tehuis)

Wat je schetst is een van de moeilijkste dilemma’s in je leven: een besluit nemen dat bepalend is voor het verloop van andermans leven.

Ik kan je geen direct advies of iets dergelijks geven, wel een beschouwing, zoals ik zelf tegen dit soort dilemma’s aankijk.

Naar mijn idee is de beste basis van waaruit je een beslissing over iemand anders’ leven gaat nemen dat je dat doet vanuit een besef van een volledige verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid welke je ook zult moeten dragen. Nog beter: een verantwoorde-lijkheid die je ook wil dragen, die je niet zomaar aan een ander wilt overlaten, hoe verleidelijk ook vanwege je eigen pijn.

Dan helpt het je dat je bent doordrongen van het besef van waaruit je dat doet.

Naar mijn idee is Liefde het enige echt geoorloofde motief. Liefde kent vele verschijningsvormen. De vorm die zich hier aandient is misschien: de uit Liefde voortvloeiende zorg voor iemand die zelf niet meer over zijn of haar eigen leven kan beslissen.

Het leven van ieder mens beweegt zich tussen frustratie en acceptatie.
Het is frustrerend dat het leven van je moeder loopt zoals het loopt, dat ze ziek is, dat ze niet meer volledig voor zichzelf kan zorgen, vanuit haar eigen wens te kennen heeft gegeven niet haar huis uit te willen.                                                                                    Aan de kant van frustratie zit alles wat we ons wensen, hoe het leven zou moeten zijn, allerlei voorwaarden waaronder wij ons beter en gelukkiger zouden voelen, over het leven, over en met de ander, over en met onszelf, ons eigen zelfbeeld, als maar aan dat of dat zou worden voldaan….als de ander maar….

Aan de kant van acceptatie ligt verzoening met de realiteit, de werkelijkheid van het bestaan. Het leven leven zoals het stroomt, zoals het is. Ons verstaan met het feit dat alles vergankelijk is,  terwijl wij als mensen graag streven naar behoud , vooral van dingen die ons welkom zijn. Dat is niet de werkelijkheid. Alles verandert voortdurend. Onze behoefte om ons vast te willen houden aan de vorm, aan onze gedachten over hoe het zou moeten zijn, is de voornaamste reden van onze pijn. (Onder deze laag van leven ligt nog een diepere, een andere bewustzijnslaag, een meer universele bron van leven en levenswijsheid. Daarvoor is een innerlijk zoeken en vinden nodig en stilte temidden van alle herrie buiten en in jezelf.)

Ieder mens dat oud wordt zou mogen beseffen dat er een moment komt dat hij niet zonder zorg van anderen kan. Is het een kwestie van persoonlijke rijping om dan bij voorbaat het proces van acceptatie door te maken dat je tegen die tijd niet teveel van anderen mag verlangen om je leven in stand te houden zoals je dat het liefst zou willen?

Niet om moeders te vergelijken, maar met mijn moeder hebben we een gezellige bijeenkomst gehouden in ons ouderlijk huis en, in onze aanwezigheid, is zij in de auto gestapt op weg naar haar tehuis. En ze is daar, naast gezellige momenten, verduveld eenzaam of in ieder geval erg alleen geweest. Maar ze wist het: het hoort bij het leven.

Aan de kant van acceptatie ligt ook de betekenis van vergeving. Mijn moeder heeft er nooit enige twijfel over laten bestaan dat ze van ons hield zoals wij waren en ook nooit over het feit dat ze het ons vergaf dat we niet haar leven konden leven.

Desondanks is het proces van vergeving van jezelf een emotioneel proces dat zich in jezelf moet voltrekken. Dat is ook de reden dat je een dergelijk besluit, over het al of niet door laten gaan van de verplaatsing van je moeder, niet door anderen mag laten nemen. Het zou je de valse ruimte geven om achteraf de ‘schuld’ bij anderen te leggen. Waarbij je het risico loopt de ervaring te missen dat er geen sprake is van ‘schuld’. Je bent er hooguit mee gestopt om je te verzetten tegen de werkelijkheid en de normale loop van de dingen.

Gemoedsrust is gelegen in het besef dat je gedaan hebt wat je wilde en kon doen. Dat je ervoor zorgt, en ook dat is verantwoordelijkheid, dat je eigen leven niet te ver van de rit gaat door het leven en het niet te voorkomen en voorspelbare lot van een ander.       Gemoedsrust is gelegen in het gegeven dat je namens de ander tot de beste optie gekomen bent. Een plek uitzoeken waar iemand zich zo maximaal mogelijk op zijn gemak zal kunnen voelen.

De plek: wat je beschrijft klinkt goed. Wat van belang is, naar mijn mening, is dat zij daar mag doen wat zij wil of nodig heeft.  Enige aandrang van diverse kanten om haar tot dingen te stimuleren, prima. Maar geen verplichte nummers. Niet op de huiskamer hoeven zijn, op haar eigen kamer mogen zijn als dat voor haar beter voelt. Als zij al geen sociaal mens was dan wordt zij dat misschien ook niet meer, hoewel je dat met dementie nooit weet hoe iemand zich nog ontpopt. Dat soort dingen kun je van tevoren afstemmen en vastleggen.

Heimelijkheid? Waarom stiekem? Ik kan niet ontkennen dat een veel voorkomend en verschrikkelijk gevoel bij opgenomen dementerenden is:  het gevoel van verraad.            Ik kan het niet voor jou of jullie zeggen, maar zelf zou ik er nooit voor kiezen. Echt helemaal nooit. Verraad is het ergste wat je kan overkomen. En ook het ergste waar de ander je van kan beschuldigen, laat staan met een kern van waarheid erin. Maar misschien heb ik wat te leren en kan je me duidelijk maken wat een reden kan zijn om zo te moeten handelen?

Zorg dat je gewapend bent en bestand bent tegen een mogelijke reactie van aantijgingen en fel verwijt. Verwacht geen volledige berusting en overgave. Vechten en verzet is een teken dat er nog echt leven in iemand zit. Je hebt misschien wel vaker iemand uit liefde, verantwoordelijkheid en vanwege de loop der dingen ergens heen moeten brengen?

Ik weet niet wat dit bijdraagt. Overeind blijft dat je het zelf moet doen. Zal ik het eens anders zeggen: dat je het zelf mag doen. Zo te merken heeft je moeder je opgevoed tot een volwassen, zorgvol, zorgvuldig en gewetensvol mens. Een mens dat in staat is tot het maken van lastige keuzes en het nemen van noodzakelijke beslissingen. Klopt dat? Dan kun je ook naar eer en geweten handelen, ook al lijkt het in eerste instantie niet te stroken met wat je opvoeder je bijgebracht heeft? Van belang blijft dat je een beslissing neemt binnen een bepaald licht. Ik peil zoiets af aan een ervaring van liefde en acceptatie van het verloop van het leven. Voor jou kan ik dat niet invullen. Maar zoek je eigen toets, die heb je.

Sterkte met alles. Ik hoor graag van je terug.

Hartelijke groet, Ron Overtoom.

Innerlijke Snaren

Innerlijke Snaren

Daar waar woorden geen betekenis meer hebben
waar begrip op denknivo verdwijnt
waar begrijpen en begrepen worden
wordt bepaald door voelen en ervaren en
vooral het zoete strelen van mijn innerlijke snaren
uitmaakt of ik mij geliefd weet en herkend
hunker ik naar klanken die binnen in mij
maar ook verder dan mijzelf reiken
en niet alleen mijn hart en ziel
maar dat van alle mensen kent.

 Ron Overtoom.


Tekst uit een folder van mijn training m.b.t. het gebruik van
muziekinstrumenten bij het maken van contact met personen met dementie.

 

 

 

 

 

 

 

Zoon

Zoon

Ook deze ervaring is er éen die te maken heeft met ‘maximale benadering met behoud van distantie’, de gulden regel voor de professionele afstand die je als hulpverlener moet aanhouden ten opzichte van hulpvragers.

Het is altijd zo dat je in de functie van hulpverlener zélf instrument bent. Je bent geen apparaat, geen machine, die functies en taken uitvoert zonder er als persoon bij betrokken te zijn. Dat betekent dus ook dat je gaandeweg in de uitvoering van het vak door moet krijgen wat je Zelf allemaal meeneemt aan geschiedenis, aan verlangens en behoeften. Om je niet te laten meeslepen door eigen drijfveren, al of niet door de patiënt* of situatie aangewakkerd. Je moet daar gevoel voor krijgen, en verstand van krijgen, en zicht op krijgen. Zelfreflectie is een must. Intensieve zelfreflectie. Al of niet onder begeleiding van een deskundige op dat gebied.

Kan dat ‘in vervoering raken’ door iemand, door een patiënt, altijd kwaad? Nee. Ik vind zelfs dat geraakt worden door iemand, die je zorg nodig heeft, veel bijdraagt aan je mate van betrokkenheid en inzet. Ik gun mezelf straks ook betrokken, liefdevolle, gepassioneerde mensen om me heen. Voorwaarde is, dat ik nog steeds kan vaststellen dat het om míj gaat en om hoe ík de dingen het liefste wil, zolang dat nog kan. Zie hier ook mijn tekst op ‘Laat me’, dat ik schreef voor mijn lessen over het omgaan met mensen met dementie, te vinden op ‘Bijlagen’.

Mijnheer Haver heeft uitgezaaide alvleesklierkanker. Zo. Dat is eruit. Hij heeft, samen met zijn vrouw, besloten om zich niet te laten behandelen, als dat al mogelijk zou zijn bij deze aandoening. Weinig tot geen kans van slagen. Geen kans bij hem.  MIjnheer Haver wil graag op waardige wijze aan z’n eind komen en vindt niet dat hij overmatig moet hoeven lijden aan de gevolgen van de ziekte.  Anno 1974 wordt er behoorlijk heimelijk gedaan over iets als euthanasie. De wet luistert nauw en medici zijn op hun hoede niet over de wettelijke schreef te gaan.

Ik ben graag op de kamer bij mijnheer Haver. We hebben fijne gesprekken en gaan de moeilijkste thema’s niet uit de weg. Hij vindt me sympathiek, dat merk ik en dat zegt hij.

‘We hebben zelf geen kinderen’, zegt hij. ‘Dat was ons niet gegeven’.  ‘En als ik er wel éen had gehad, dan had ik graag een zoon gehad zoals jij. Ik mag je erg graag’.

‘Dat is dan geheel wederzijds, mijnheer Haver. Ik vind u erg sympathiek en kan waarderen hoe u uw lijden draagt. ‘
“Daar doen jullie ook aan mee’, zegt hij, waarbij hij doelt op de injecties pijnstillers die hij door ons krijgt toegediend.

‘Kijk, daar heb je ‘m ‘, zegt hij tegen zijn vrouw als ik de kamer opkom en zij bij hem is.  Het maakt me verlegen en trots tegelijk. Dat gevoel dat je werkelijk iets voor iemand betekent, dat je ertoe doet. Dat is fantastisch. Als het waarachtig is. En dat is het.

De frequentie van het geven van pijnstillende injecties mag vanaf vandaag door mijnheer Haver zelf worden bepaald. De arts laat het aan hem over. In die zin, als mijnheer zegt ondraaglijke pijn te hebben, dan mag hij om een injectie vragen.

Als ik na een vrije dag terugkom tref ik een leeg bed. Ik moet even slikken. Minstens.

Het zal een jaar of drie later zijn als een mevrouw me in Haarlemse binnenstad staande houdt en zegt: ‘Jij bent toch Ron?’. Ik herken haar niet éen, twee, drie…’Ik ben mevrouw Haver’. En meteen gaat dat luikje open. Ze bedankt me alsnog hartelijk voor de fijne zorg en herinnert me eraan dat haar man erg op me gesteld was, als was ik een zoon voor hem. We delen de wederzijdse sympathie en schudden elkaar de hand als afscheid. Het ging haar gelukkig goed. Het waren altijd al mensen om het Leven te omarmen.

 

Sex in the City

Sex in the City

What the hell, zou je zeggen, is me dat de moeite en alle sores waard? Laat maar gewoon gaan, het duurt maar even.

Wat is er aan de hand? Het is nu avond, dus gewoon doordeweeks. Zondag is Eric binnen gebracht met de ambulance na een aanrijding. Hij zat op de motor en is gecrashed.  Hij is lid van ‘de club’. Van de Hells Angels. Ze waren met een paar aan het toeren en vlak voor hen ging er in het verkeer iets ernstig mis. Dikke pech. Het is niet zijn schuld, maar hij moet er wel voor boeten met een dubbele beenbreuk. Hij ligt op de aller-achterste kamer, in z’n eentje, en hangt – oneerbiedig gezegd- in de touwen. Van zijn benen zijn de botten herplaatst en de gewichten blijken nodig om alles even op hun plaats te houden. Meteen zondagavond na de OK is er al bezoek. Een hele serie makkers op motor parkeert voor de hoofdingang van het ziekenhuis en gaat ongevraagd naar binnen op zoek naar waar hun maatje gestald is. Hij wordt gauw gevonden en de collega-Angels wensen hem sterkte. Eerst wil er nog iemand blijven waken, maar dat kan die persoon uit zijn hoofd worden gepraat. Wél een mooi gebaar.

Vanavond laat komt er een aantal compleet onverwacht – en buiten het bezoekuur, dat in die tijd op pl. 30-45 minuten in middag en avond staat- langs voor Eric. Als het hoofd van de avonddienst hen dan de toegang wil weigeren, dan doet éen van de makkers zijn leren jack half open en laat daar – quasi nonchalant, met een ‘weet u het zeker?’,  de daar verborgen serie messen zien.  Een indrukwekkend gezicht en toegang is nu verzekerd. Het avondhoofd is te overdonderd om er iets tegen te ondernemen.  In de groep makkers beweegt zich ook een jonge vrouw. Ook zij is in een Hells Angels-jackje gekleed, maar verder is van motorkleding geen sprake. Rokje en hakken. De groep gaat naar de aller-achterste kamer en gaat naar binnen, begroet Eric. Even later komen alle mannen naar buiten en posteren zich voor de kamer op de gang. En wachten. Dat duurt even.

Na enige tijd komt de groep, met de jonge vrouw, de gang door en gaat- vriendelijk groetend en met een lach- richting uitgang. De motoren worden gestart en weg zijn ze.

Mijn collega gaat even bij Eric kijken, die het ongetwijfeld goed maakt. Alleen zullen de gewichten weer even op orde moeten worden gebracht, anders kloppen de verhoudingen niet.

Eh, tegenhouden? Risico’s nemen? Politie erbij halen? What the hell. Gewoon laten gaan. Het duurt maar even.

Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!

Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!

De zorg is lichtelijk ten einde raad. Mevrouw krijst het uit van narigheid, zit op de rand van haar bed en roept voortdurend en keihard: ‘Ik wil dood! Ik wil dood! Ik wil naar de hemel’

Het is vroeg in de ochtend als ik met de auto aankom bij het verpleeghuis waar ik trainingen geef in het maken van kontakt met bewoners. We drinken eerst een koffie, de manager van de afdeling en ik, en spreken de zaken door. Waar ga ik me die ochtend vooral op richten? Het is ‘praktijk-ochtend’. Dat betekent dat ik meeloop in de zorg met de verzorgenden / cursisten en met hen meekijk hoe je de in de theorie aangeboden handvatten kunt toepassen in de praktijk. Ik herinner me uit de lessen vooraf nog hoe verzorgenden me aankeken met een gezicht van: mooi verhaal, maar moet het nog zien…. Dat is ook voorstelbaar, want er zijn in de praktijk veel situaties waarin de zorg ploetert en maar niet voor elkaar krijgt wat men wel zou willen. En de druk is groot. Er is veel basiswerk te doen, waardoor het maken van kontaktmomenten al gauw een luxe lijkt te worden. Het kost me dan ook vaak de nodige moeite om de zorgverlener zover te krijgen dat hij/zij de moed vat om zaken anders te zien en aan te pakken. Zelf ben ik ervan overtuigd dat deze manier van omgaan met bewoners je juist tijd gaat schelen, als het al om tijdwinst moet gaan. Het is namelijk heel basaal. Als mensen zich niet begrepen voelen door een ander mens, dan worden ze vaak afwerend, bokkig, hoekig, boos, etc. Heeft u dat nou ook?

De mevrouw de Haas is nagenoeg onbenaderbaar. ‘We komen er maar niet doorheen, ze gaat maar door met haar  ‘Ik wil dood’, aldus de verzorgenden. Dat ‘er doorheen komen’ betekent voor de zorg vaak dat zij hún ding willen kunnen doen, namelijk wassen, aankleden, etc. en dat de bewoner daar niet voor te porren is. In mijn lessen probeer ik de verzorgenden duidelijk te maken dat mevrouw op haar beurt waarschijnlijk precies hetzelfde beleeft: ‘Ik kom er maar niet doorheen’ (zodat ze me eindelijk snappen!) Mevrouw is in haar wereld en wij in de onze. Het gaat er niet om om er ‘doorheen’ te komen, maar om aan te sluiten in haar wereld’.

De verzorgende komt vragen of ik mee kan gaan naar mevrouw de Haas om eens mee te maken en om eens te kijken wat er anders kan.

En inderdaad. Mevrouw de Haas zit op de rand van haar bed, roept en krijst het uit.
‘ Ik wil dood!  Ik wil doooooood!’ en zij is in deze stemming helemaal niet bereid of in staat om zich te laten helpen met wassen en aankleden.

‘Zo gaat het altijd’, zegt de verzorgende die meegelopen is en naast me staat. Ik sta schuin achter mevrouw de Haas en ben nog nét bij haar in beeld, maar niet nadrukkelijk. Voor mevrouw staat Fatima, ze staan een meter bij elkaar vandaan. Ik ken haar van de cursus. Fatima is éen en al bereidheid, maar oogt onmachtig. Ik knik en vraag haar: ‘Doe wat je altijd doet?’

‘Ik wil dood! Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!’ roept mevrouw de Haas.
‘Mevrouw,’ zegt Fatima, ‘ daar kan ik u niet bij helpen!’  En dan:’ Ik ben hier en ik ga u verzorgen, rustig maar, het komt goed…’
‘Ik wil dood! Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!’

Dan fluister ik Fatima toe: ‘Fatima, stel eens een open vraag aan mevrouw? Je weet wel, die vragen die beginnen met Wie, Wat, Waar, Wanneer of Hoe….’
Fatima denkt en ik zie haar werken. En dan opeens komt zij op die prachtige vraag:

‘Mevrouw, wie is er in de hemel?’

Stilte. De spannende stilte die er is tussen de bliksemschicht en de donder. En dan de ontlading:

‘ Mijn man! En mijn kind! Ze wachten op me! Ik moet er naar toe!!!!! ‘

Wat daarna volgt is een prachtige, lieve, warme golf van het uiten van beripvolle woorden door Fatima, waarop mevrouw weer reageert.
Ze geeft het woorden als: Ach mevrouw, wat mist u ze! En wat zullen ze u missen. U wilt er zijn voor uw kind, het heeft u nodig. U bent zo’n lieve moeder. Ze zijn in de hemel. Ik weet zeker dat God goed voor ze zorgt! en zo gaat zij verder. Fatima groeit, is ontroerd, ze is ‘binnen’  bij mevrouw en mevrouw is zo ontzettend blij met haar. We zijn er getuige van dat mevrouw ontspant in haar verdriet, op bed gaat liggen, uitgeput en in overgave. En…. wil slapen. Fatima dekt haar toe en we laten haar. Ze slaapt een gat in de dag.

En nu ‘ is dat gedrag weg? ‘  Mooi niet. Het is er een volgende keer nét zo hard weer. Het is háár thema.  Alleen dan zou je kunnen weten dat je een alternatief hebt en dat je haar een omgeving kunt bieden waarin zij het gevoel heeft begrepen te worden.

Daar draait immers alles om bij mensen. Dat er mag zijn wat er is, dat je mag zijn wie je bent.

 

 

 

 

 

 

Steriliteit

Steriliteit.

Steriliteit. Hoe belangrijk dat wel niet is wordt er op de opleiding stevig ingehamerd. Handen wassen, handschoenen aan als dat voorgeschreven is. Want je weet nooit. In ieder geval loopt de patiënt gerede kans op infecties als je niet steriel werkt. In een ziekenhuis kunnen al gauw zogenaamde kruisinfecties optreden, als je te onzorgvuldig en onoplettend van de ene naar de andere patiënt hobbelt. Dat wil je helemaal niet!

Steriel werken is al helemaal van belang als je iets gaat doen waarbij je in het lichaam terecht komt. Zoals bij injecteren. En bij het toedienen van een catheter, je weet wel, zo’n slangetje in je urineweg als je bijvoorbeeld niet goed zelf kunt plassen.

De catheter is steriel, het glijmiddel ook, handschoenen gaan aan. Bij mannen de eikel eerst goed schoon. Bij vrouwen de vulva reinigen. Allemaal secure voorbereidingen. Top! Zo hoort het.

De collega van de ongevallenpoli heeft ogen zo groot als schoteltjes als de man binnenkomt lopen, Alpino-pet op, op het toilet afloopt met ‘mag ik even naar de wc  ‘…., intussen zijn alpinopet afdoet, de catheter uit de rand van de pet haalt en doorrent richting toilet.

‘Hehe, dat lucht op, dank u wel.’ De man spoelt de catheter uit in de wasbak, slaat hem wat uit, rolt hem op, stopt hem terug in de ronding van zijn alpinopet en verlaat met een ‘goede morgen samen’  het pand.

Wel weer een mooi verhaal dat de ronde gaat doen.