Prelude

Machteloos

Het zal iets van herfst 1968 geweest zijn. Ik kom van een koorrepetitie, doe net de deur van de zaalruimte achter me in het slot. Opeens zie ik haar op de stoep liggen. Het is al donker aan het worden en ik kan haar eerst niet duidelijk zien. Ik ren naar haar toe, kniel bij haar en weet niet wat te doen. Ik schat haar midden zestig. Is ze bewusteloos? Stervende? Ze lijkt me zelfs al dood! Dwars op de straat is verderop een kruising met de Generaal Cronjéstraat. En daar steken steeds mensen over, winkelend publiek. Ik schreeuw om hulp en krijg al gauw in de gaten dat men denkt met een dronken kerel van doen te hebben. Uiteindelijk komt er iemand omzichtig de straat in naar ons toe en begint anderen te alarmeren.  Mevrouw lijkt te zijn overleden.

Het is achteraf afschuwelijk dat ik niet in staat was geweest om ook maar iets zinnigs voor die vrouw te hebben betekend. Misschien was ze met reanimatie nog gered? Bij aankomst van de politie bleek dat zij inderdaad was overleden. Waarschijnlijk was zij al dood toen ik haar vond. De politie noteerde mijn naam adres.

De volgende dag word ik op school, de Kweekschool in Beverwijk, door de directeur uit de klas gehaald. Er is telefoon. Politie. Ze willen het verhaal nog even doornemen en men bedankt me voor mijn …  ja, voor wat?  De directeur reageert wat verschrikt op de manier waarop ik in de hoorn uitspreek: ‘Ja, ik heb haar gevonden en ze was al dood.’ Ik herinner het me nog goed. De koele stelligheid van mijn woorden maskeren eigenlijk mijn voelen. Ik mag niet voelen, de schrik, de confrontatie met de dood. Iets in mij weigert dat toe te laten. Niet voelen, gewoon doorgaan.

Dit incident zal niet rechtstreeks de reden worden dat ik drie jaar later de zorg in ga. Toch speelt het op de achtergrond mee. Met name wanneer ik later, al reflecterend, mezelf herinner hoe onbedreven ik daar met voelen omga. Daar viel nog het nodige in te leren en dat is me, ‘ with a little help from my friends ‘ , gelukkig goed gelukt.