Ik kan niet meer fietsen

 

Ik kan niet meer fietsen!

Het Psychiatrisch Ziekenhuis van Santpoort is verder de kant van Haarlem-Noord op.
Ik vermoed dat hij daar vaker is geweest, maar nu is hij bij ons. Hein. Hein Mankes.
Hein komt binnen op de ongevallenpoli met de boodschap:  ‘Ik kan niet meer fietsen’.  De broeder, die informeert of er iets met zijn benen is, schiet met wat ongeloof in de lach als mijnheer laat weten dat hij zijn fietssleuteltje heeft ingeslikt. Tja, dat is niet meteen reden voor een opname…. ‘En glas’, zegt mijnheer. ‘Glas?’  ‘Ja, scherven, een stuk of wat.’  Dat is andere koek. Opname volgt.

Niet de makkelijkste man om op afdeling te hebben. Hoewel, als je hem de regie laat en de ruimte wat geeft, valt het mee. Leg je hem iets in de weg, dan is het oppassen. Een van de collega’s krijgt een keer een glazen urinaal naar zijn hoofd. Het ging aan diggelen tegen de muur. Leeg, gelukkig, dat scheelt.

Hein wordt op een dieet van ontbijtkoek gezet en wij controleren elke keer zijn ontlasting. Hij heeft intussen de grootste praats met andere mannelijke patiënten en vindt het maar reuze gezellig bij ons. Zelf loop ik nog tegen een stomp in mijn maag aan van hem, omdat ik me wat te vrolijk gedraag naar zijn zin. Je leert ervan.

Twee dagen duurt het voordat een collega uitgelaten, met het fietssleuteltje zwaaiend, de ziekenzaal bij Hein opkomt en zegt: ‘Hein, je kunt weer fietsen.’ Maar ja, dat glas, dat moet er ook echt uit zijn. Dus we doen het zorgvuldig en geven hem nog twee dagen.

Telefoon. Het is de Keuken.  Hmm, dat gebeurt niet vaak. ‘Hallo, ja..zeg het eens……mmmm…..hoe bedoel je?  Nou ja, ik zal informeren, maar…vreemd. Je hoort van me. Jongens? Weet iemand van jullie meer over bestek? De keuken mist bestek van onze dienbladen… iemand??’

Ik zie wat later de rontgenfoto. Die is wel uniek!. Er zitten 29 afgebroken heften van lepels en vorken in de maag van Hein en éen in zijn 12-vingerige darm. Hein wil blijkbaar nog niet naar huis….

Dezelfde dag wordt Hein geopereerd, herstelt de dagen erna en knapt goed op.
Wij bereiden zijn ontslag voor, met medewerking van Maatschappelijk Werk, die uitplaatsing regelt. Normaal gesproken informeer je de patiënt over dag en tijd van vertrek. Dit keer lijkt het ons verstandiger hem ermee te verrassen.

Uiteindelijk gaat Hein gedwee mee het ziekenhuis uit. Zijn fiets wordt later opgehaald.

Ik vertel mijn verhaal niet meer

Ik vertel mijn verhaal niet meer

‘Ik vertel m’n verhaal maar niet meer aan ze’, zegt de mevrouw in het zorgcentrum waar ik in de zomer werk, omdat mijn trainingen in de zomer stilliggen.

‘Wat bedoelt u?’, vraag ik.

‘Zoals ik het zeg. Ik heb geen gemakkelijk leven gehad. Je weet, ik heb twee kindjes dood. En ik hoef het er heus niet vaak over te hebben, maar als het zo ter sprake komt, bijvoorbeeld als de zusters me vragen ‘Heeft u kinderen’ , dan vertel ik het en dan….dan weten ze niet wat te zeggen. ‘Erg voor u’. Ja….. En daarna komen de opmerkingen als : ‘Maar fijn dat u nu hier bij ons bent’, en ‘Straks gaan we weer fijn samen aan de koffie’ of ’De mevrouw van de creativiteit is er vandaag, dan kunt u iets leuks gaan doen… ‘  Het is allemaal goed bedoeld hoor, maar het maakt me ook zo eenzaam met m’n gevoel’.

‘Ik maak ze er ook nog verdrietig mee, denk ik, want ze willen het oplossen, m’n verdriet weghalen. Maar dat kan niet. En dan falen ze, denken ze dan. En dat maakt ze verdrietig.’

Daarom beginnen de zusters die het wel weten ook niet graag over kinderen, bang om me verdrietig te maken. Maar ik word heus niet verdrietiger of zo. Dat blijft wat het is.

‘Wat wilt u eigenlijk liever?’ vraag ik.

‘Niks. In ieder geval geen geklets, of zogenaamde oplossingen. Het kán niet worden opgelost. Dat hoeft ook niet. Het is van mij, mijn verhaal, ik bén het.
Laat me mijn verhaal doen als ik dat wil en luister er gewoon naar? Vraag er eens wat over.  M’n verdriet wordt er echt niet groter door’.

In een notendop geeft mevrouw ons op een presenteerblaadje wat de Presentie-theorie ons leert. Niet Doen, maar Zijn. Met lege handen komen, Luisteren, leerde René Maas me later in de lessen Focusing. Het bracht me in kontakt met teksten als: ‘Kom niet aan mijn verdriet’  en liet me zelf een lied schrijven dat ik de titel meegaf:  ‘Dode kindjes gaan een leven lang mee’. U vindt ze straks onder de kop Toegevoegd Materiaal.

Je verhaal is je leven, je leven is je verhaal. Het geeft je je betekenis.

 

 

Gekleurde kraaltjes

Gekleurde kraaltjes

Huijer en ik hebben nachtdienst. ’s Nachts is het afwachten of er ergens een calamiteit is waar je op af moet. Er zijn geen ritten om mensen van en naar ziekenhuizen of onderzoekscentra te vervoeren. Dus we lezen wat in bladen, kranten, drinken koffie en poetsen wat aan de wagens. We kletsen over waar we mee bezig zijn in ons leventje. We kunnen elkaar goed hebben.

Het zal zo rond 02.00uur zijn als de Brandweer alarm doorgeeft. Er is iemand neergestoken in een kroeg. In no time zitten we op de wagen. We voeren geen sirene als dat niet beslist nodig is. Ik vind het indrukwekkend hoe knap Huijer rijdt en de wagen door bochten manoeuvreert terwijl de blauwe lichten om ons heen dansen.

We zijn bij de kroeg. Die is nagenoeg leeg. De barman is er en hij vangt ons bij de ingang op. ‘Haast u maar niet, want het is goed mis’.
Links op de vloer van het licht-gedimde etablissement ligt een jonge knaap in een grote plas bloed.  We komen wat dichterbij en ik zie de snee in de hals van de jongen.  Blijkbaar had hij een kettinkje om zijn nek gehad met allemaal helder gekleurde kraaltjes. Die liggen nu allemaal als een streng in de wond. Bizar gezicht.

‘Wat is er gebeurd’, vraagt Huijer. ‘Ruzie om een meisje en toen sneed die vent die jongen z’n keel door met een tosti-mes,’ zegt de barman.

We moeten wachten op de recherche. De dader is al door de politie meegenomen, maar er moeten nog officieel sporen worden veiliggesteld.

Als de recherche binnenkomt lijkt het wel alsof ik in een politiefilm ben beland. Het is écht zo: rechercheurs  dragen lange jassen van grijsgrauwe stof, hebben de kraag omhoog gevouwen….een gleufhoed op….Ik weet niet wat ik zie. Da’s waar ook. Ik ben echt in een politiefilm beland.

‘Twee cola’, zegt de ene rechercheur tegen de barman, terwijl beide heren zich op een barkruk hijsen. De barman schenkt twee cola in en zet ze op de toog.  Als de cola opgedronken is lopen ze even naar het levenloze lichaam van de knaap en stellen wat zaken vast.

Voor zover ik me herinner vervoeren we de jongen daarna naar het mortuarium. Of dat gebruikelijk is of een uitzondering, dat een ambulance een dood mens vervoert, dat weet ik niet meer.

Onderweg in de wagen hangt er een massieve stilte. We verwerken het ieder op onze eigen manier.

Later die nacht brengen we een klein kind met koortsstuipen naar het ziekenhuis. Als dan Huijer aan de nachtzuster daar begint te vertellen ‘wat we nou toch meegemaakt hebben vannacht’ en over de gekleurde kraaltjes begint die zo keurig….dan wordt het zwart voor mijn ogen en ga ik tegen de vlakte.

Het een plek geven doe ik in mijn eentje.

Als het niet wil lukken

Als het niet wil lukken

We rijden net terug richting garage nadat we een mevrouw naar een verpleeghuis hebben gebracht. Dat zijn toch vaak, voor de persoon zelf, ingrijpende gebeurtenissen. Je meer zelfstandige bestaan heb je los te laten, je neemt afscheid van je huis en staat, zo krakkemikkig als je bent, voor de opdracht om er toch weer iets van te maken.
Huijer en ik kunnen het daar dan wel over hebben. We kennen allebei verlies. Huijer vertelt me regelmatig met enige trots over zijn zoon Johan. Niet zijn echte zoon. De zoon van de vrouw waarmee Huijer nu samenwoont. Zij is weduwe. Maar als ik Huijer het over Johan hoor hebben, dan hoor ik echte warmte, trots, zorg en toewijding. ‘Ik hou van hem alsof het mijn eigen zoon is’, zegt Huijer ook. Dat zit wel goed.

Melding. Hartstilstand in Haarlem Noord, man, in de veertig.

We zijn er binnen 7 minuten, we waren in de buurt. Als we het huis ingaan, de voordeur staat open, zien we de vrouw met haar twee kleine meisjes links in de huiskamer op twee meter afstand verbijsterd zitten staren naar het roerloze lichaam van een krachtig uitziende man in werkhemd. Haar man, hun vader, een erg jong gezin. De man is niet meer bij kennis. Ik voel geen pols en er is geen ademhaling.
‘Zuurstof’ zegt Huijer. ‘En massage’.  Ik ruk de fles uit de wagen en leg het bij de man aan. Het is secondenwerk. Ik neem de hartmassage van Huijer over terwijl hij de brancard uit de wagen haalt. De vrouw en kinderen zitten daar nog steeds als versteend. Er komt nu een buurvrouw binnen die zich over hen ontfermt. Huijer en ik laden de man met brancard in de wagen, waar ik de massage en de zuurstof, zo goed en zo kwaad als dat gaat, gaande houd. De vrouw blijft bij haar kinderen, we laten ze zo achter, de buurvrouw biedt hulp.

Bij het ziekenhuis – mijn eigen ‘Deo’ –   aangekomen, rijdt Huijer de brancard naar binnen terwijl ik daar nog op zit te masseren in een poging om de man in leven te houden. Ik vecht echt. Ik zie z’n vrouw, z’n twee meisjes, dit mag toch niet! Dat beeld staat in mij gegrift. Ik zweet van onder tot boven.

We zijn op cardiologie. Ik ga door en door. Er komen voor mij bekende collega’s naar ons toe om te helpen.

‘Komt u er maar af’. De stem naast me is vriendelijk en maar beslist. Ik moet dus stoppen met masseren, het opgeven? Verdergaan heeft geen zin?

Ik voel een hand op mijn schouder. ‘Komt u er maar af. Deze man is overleden.’
Het zijn de gezagvolle stem en de hand van dokter Staal (*), onze cardioloog. Een onbetwist meester in zijn vakgebied.

Eenmaal van de man op de brancard af, kom ik uitgeput en drijfnat van het zweet overeind. Ik word blijkbaar herkend aan mijn lengte.
‘Jeetje Ron, ben jij het?’

Ik weet niet wat te zeggen en ga met Huijer naar de wagen. Even bijkomen van alles.

Zeg jij het maar

Zeg jij het maar

Het is 22.30 uur. De nachtdienst op de ambulance is nog maar net begonnen.  De collega’s van de avonddienst zijn naar huis en we zijn met z’n tweeën over.  Huijer is er niet, ik ben met de chauffeur van mijn eerste dag. Hernieuwde kennismaking? Vooruit.

Er rijdt ’s nachts maar éen ambulance voor de hele regio. Dat is dan Haarlem, Heemstede, Overveen, Bloemendaal, Bentveld, Santpoort, afijn, super-breed. En qua uitrusting: alles op EHBO-gebied, zuurstof en brancard. Bemanning: een chauffeur met EHBO-diploma en een verpleegkundige, of in dit geval een 2e jaars stagiair/ leerling verpleegkundige – A. Deze nacht ben ik dat.  Dat is het pakket anno 1973.

De melding ’s nachts verloopt via de meldkamer van de Brandweer.

De telefoon gaat. Brandweer. Melding. Tentamen suïcide in de Koepel van Haarlem, ofwel een zelfmoordpoging in de gevangenis. Zwaailichten, sirene, naar de Koepel.

Ik ben er bekend, want met ons jongerenkoor Haarlem Noord hebben we daar een aantal keren op zondag bij een kerkdienst gezongen.  Altijd wel wat spannend.

Het betreft een jongeman die zijn pols heeft doorgesneden. Het is al snel helder dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij levensmoe zou zijn. Daarvoor kijkt hij te levenslustig uit zijn ogen. Maar hij is wel echt gewond en het ziet ernaar uit dat het moet worden behandeld op chirurgie. Dus: de brancard op en de auto in. Geen politiebegeleiding niks. Vreemd achteraf….Maar, met hem krijgen we geen moeilijkheden. We stappen in de cabine van de ambulance.

De telefoon gaat. Brandweer. Melding.  Hartstilstand in Bloemendaal. We zijn de enige ambulance. ‘Zeg ’t maar, jij bent de verpleegkundige’, zegt m’n chauffeur/collega.
Lekker dan. We staan voor de Koepel, hebben een patiënt ‘ingeladen’ en dan nu deze melding die vraagt om snelle besluiten. Optie 1. Gevangene uitladen, van brancard af en naar Bloemendaal scheuren?  2. Patiënt afleveren bij ziekenhuis en dan door.
‘Rijden maar’,  beslis ik. ‘We vragen de Brandweer het ziekenhuis paraat te staan bij uitladen en wij gaan meteen door. ‘ Zo gebeurt het.  Het ziekenhuis reageert adequaat.

We komen in  Bloemendeel bij een groot pand. De oprit op, de voordeur staat open.

We gaan naar binnen en zien een grote huiskamer waar wat mensen stil bij elkaar zitten gedromd. Wat ik zie zijn verstarde mensen. Wat ik eraan voel is afstand. Misschien is het de schrik en de angst voor het ergste.  Ik zoek de patiënt. Als ik vraag waar deze is verwijst iemand ons naar boven. We gaan de trap op. Mevrouw gaat met ons mee om ons de weg te wijzen. We treffen meneer aan, hij ligt stil naast bed, alleen.
Hij is niet meer bij bewustzijn, niet meer aanspreekbaar. Ademhaling en pols zijn amper vast te stellen.

We proberen iets dat lijkt op reanimeren in combinatie met meteen transport inzetten.

De familie verzoekt ons om de man te vervoeren naar het ziekenhuis waar hij bekend is.

Onderweg doe ik wat ik kan, en dat is niet veel. De rit is gehaast en we slingeren. We zijn bij het ziekenhuis. Er is geen eerste opvang. Of we naar boven willen gaan, daar wacht ‘de ploeg’ blijkbaar op ons.  De chauffeur en ik duwen de man met brancard op wielen de lift in, drukken op de knop naar boven en de lift gaat tergend langzaam omhoog.

Mijn chauffeur/collega, die tot dusverre nog geen hand echt uitstak, springt opeens op de man op de brancard en begint hem demonstratief hartmassage toe te dienen met een drama alsof hij dat al non-stop aan het doen is. Als de liftdeuren open gaan zie ik veel ernstig kijkende mensen in witte jassen. Mijn collega ‘mag’ van de brancard af. Hij hijgt hoorbaar. Tjonge. Wat een act.

De patiënt wordt overgenomen en wij vertrekken.

De volgende dag word ik verzocht op gesprek te komen bij de baas van ons team en hij neemt stap voor stap de gebeurtenissen met me door. Er is een mogelijke klacht dat we laat waren. Te laat. En meneer was bekend bij het ziekenhuis. Ja, niet zoals ik het gedacht had, als patiënt, maar écht bekend. In een hoge functie.

De klacht wordt niet ingediend. We verwachten wél een weinig lovende vermelding van de aanrijd-tijd van de ambulance in de krant.

‘Kom, koffie’, zegt Huijer als hij me ziet. Hij kijkt me veelbetekenend aan. Die blik die ken ik onderhand en die staat voor: laat ze maar lullen. Even later zijn we weer op pad. Huijer vraagt nog bij me na wat zich die nacht heeft afgespeeld, besteedt ook wat zorg aan me, en ik hoor de spijt in zijn stem dat hij er niet zelf kon zijn.

Dokter van Doorn

Dokter van Doorn (*)

Het is de gewoonte dat je tijdens je stages als leerling-verpleegkundige ook wat meekijkt bij de onderzoeken die de arts doet. Daar leer je vaak veel van. Theorieboeken zijn vooral tekst en plaatjes, en life is het een mens. Een dokter, een patiënt en anderen die in de situatie meedoen.

Ik werk op ‘ Interne J’.  Mijn eerste stage-afdeling, ‘mannen interne ziekten’.

Dokter van Doorn is een rijzige, imposante verschijning.  Hij loop iets gekromd als of hij een zak zwaar materiaal op zijn schouder meetorst. Hij kijkt je altijd met een vriendelijke blik in de ogen aan. Ja, vriendelijk, maar beslist. Met gepaste afstand. Hij heeft gezag en hoeft daar niet veel moeite voor te doen. De afdeling heeft meerder longartsen. Dokter van Doorn is een graag geziene man, bij medewerkers en patiënten.
Je vertrouwt hem.

Vandaag om 08.00 uur staat de bronchoscopie van patiënt Harmsen gepland. Of ik hem daarheen wil brengen en dan kan ik meteen meekijken. Dat meekijken is ook voorschrift om e.e.a. af te tekenen in je Praktijk Rapporten Boekje. Ervaring opdoen!

Mijnheer Harmsen heeft longkanker. Dat weet hij en hij heeft zich er bij neergelegd. Vandaag wil dokter van Doorn kijken hoeveel erger het geworden is.

Dhr. Harmsen gaat in de onderzoekskamer op de  tafel liggen en dokter van Doorn manoeuvreert de bronchoscoop zijn keel in. En kijkt. En ziet. En stapt achteruit en opzij.

‘Kijk maar’, nodigt hij me uit.

Ik kijk en zie een beeld  dat ik niet meer hoop te zien. Ik word duizelig en ga onderuit. Ben als een vaatdoek. Een collega brengt me bij m’n positieven. Ik trek wat bij en ga later terug naar de afdeling, weer aan het werk.  Heb het nog even kort met mijnheer Harmsen over het gebeurde en ik zie dat hij beseft dat wat er in zijn  lijf te zien is aanleiding is om onpasselijk te worden. Dat vind ik spijtig, en het is waar.  Erg genoeg.

Het is 10.30 en tijd om te pauzeren.  Ik doe m’n stijfgestreken lange witte verplegersjas aan, want pauzeren doen we in het restaurant. Ik pak m’n pakkie shag uit mijn kastje, m’n aansteker en ga richting lift. Ik begin alvast mijn welverdiende shagje te draaien.

De lift komt op Begane Grond, de deur glijdt open. Voor de lift staat, wachtend om in te kunnen stappen, dokter van Doorn. We blijven allebei stokstijf staan. Ik in de lift, hij ervoor. Het is maar een kort moment, maar ik herinner het me als een eeuwigheid.

Hij kijkt me in de ogen, kijkt langzaam omlaag naar m’n handen met daarin m’n vers-gedraaide shagje en zegt vriendelijk, maar nadrukkelijk: ‘Prettige pauze’.

Ik zou nog vele jaren roken. Ik stopte pas op 23 mei 1989 om 08.30 ’s morgens op de stoep van de verloskundige. ‘Je wordt vader’, klonk het. Dat was het moment.

 

De foto is niet de echte dokter van Doorn. Als een van de collega’s een foto heeft?

Beste Baas

 

Beste Baas

Ergens in mijn carrière heb ik de niet erg goed doordachte zet gedaan om Hoofd Zorg te worden van een zorginstelling van een bepaalde, niet alledaagse signatuur.  Dat bleek om meerdere redenen een vergissing.

Ik had mijn eenmansbedrijf QuaZijn, voor trainingen in de Zorg, en dacht dat dat wel samen kon gaan met een driedaagse werkweek in de functie Hoofd Zorg. Vergissing.
Als je een eigen bedrijf hebt dan doe je alleen dat bedrijf en geen andere echte baan ernaast, dat is een miskleun, je kunt echt geen twee heren dienen.

In  mijn reflectie achteraf moest ik vaststellen dat deze organisatie, althans haar leiding, helemaal niet op zoek was naar een inhoudelijk gedreven Hoofd Zorg, maar eerder voor de goede orde een dergelijke functieplaats moest invullen. Voor de inspectie kon je het toch niet maken om geen Hoofd Zorg te hebben? Na slechts een gesprek met de Directrice (noem haar voor het gemak The Queen ) tevens ook Raad van Bestuur in haar eentje, nam zij mij aan en stelde mij later aan de bewoners voor met de, als een verrassing klinkende,  opening: ‘ Dames en Heren, ik heb een Parrrrrtnerrrrrr!!!!  Jaha, ik heb een echte Parrrrrrrtnerrrrrr. ‘  Dat bleek ik te zijn.

Zelden heb ik een bedrijf meegemaakt dat zo dreef op familie/vrienden/ en partnerrelaties als daar. Noem het inteelt. En alles wat er gebeurde werd openlijk, en vaak ook versluierd, geregisseerd door The Queen. Ik voelde me een pion, werd geacht een marionet te zijn binnen de selectie marionetten. Deels gaf het me in het begin ook waar ik natuurlijk zelf naar zocht, waar ik zelf behoefte aan had. Een  ‘samen’, een weinig hiërarchische setting met een gezamenlijke missie en passie. Je moet erin zitten om te merken dat het niet deugt.
Er werden valkuilen voor me gegraven.
Mijn lijf gaf me te kennen dat ik daar weg moest. Dat vond The Queen ook. Haar compliment, en daarmee haar reden, was dat ik ‘ Te Groot’ bleek voor deze organisatie. Bedankt hoor. Wegwezen.
Ik nam er onder andere uit mee dat een heldere hiërarchie een stuk transparanter werkt dan de slangenkuil die ik hier trof.

Er waren enkele leuke momenten:

Ik ben Hoofd Zorg en als zodanig kan ik betrokken worden bij de omgangsvormen tussen bewoners onderling. En dat blijkt vandaag nodig.

Mijnheer Planteijn is een man met een deftige, haast aristocratische uitstraling. Verplaatst zich met de rolstoel. Er zijn weinig mannen in deze gemeenschap, dus voor de grap zegt men weleens dat hij het rijk alleen heeft.

Bij gelegenheid gaan een aantal dames, gauw een stuk of acht, in een kring zitten, al of niet met rolstoel, om samen koffie te drinken en wat bij te kletsen. Dat doen ze op een vrij deftige manier ook, dus bijkletsen is niet zo’n goede beschrijving.

Mijnheer Planteijn schuift graag aan en is dan zeker de enige man in die kring. Hij geniet en laat zich horen. En in die setting gebeurt het: hij zegt ongepaste dingen van seksuele aard. Plagerijtjes zogenaamd, maar totaal ongewenst.  Vermaningen uit de groep komen niet bij hem aan, dus er is een klacht. En die gaat naar mij. Ik mag hem gaan aanspreken.

Mijnheer Planteijn rolt met zijn rolstoel mijn kantoor in en ik geef hem een plaats tegenover mij. Tegenover, want niet gebroederlijk. Enige autoriteit lijkt geboden.

Na de eerste algemene openingszinnen zeg ik hem waarvoor ik hem heb uitgenodigd. Ik vertel hem de klacht die in de groep leeft.  Na mijn woorden wordt hij bleek, vervolgens rood in zijn gezicht en reageert woedend.
‘Watttt!!!! Dat wordt over MIJ gezegd!??! Laat ik u wat vertellen, mijnheer. Ik heb van de grond af aan een fabriek opgebouwd en had daar honderden vrouwelijke medewerkers! Vraag het na, vraag het ze! Je zult er niet éen vinden die iets over mij zal miszeggen!!! Niet éen!! Dit is te idioot voor woorden. Hoe durven ze, hoe dúrft u?!’

Mijnheer Planteijn raast zo nog wat door en ik reageer met een mix van luisteren, doorvragen, om begrip voor de dames vragen, etc. Hij vertelt me over zijn fabriek en over hoe hij daar respectvol met de dames omging. ‘Ik ben een goeie baas geweest! Ik werd op handen gedragen. Ze huilden toen ik er wegging. ’ Daar zag ik trots. En nu zag ik boosheid, gekrenktheid en wat verslagenheid.

Ik zeg hem nog dat ik in mijn functie van Hoofd Zorg wél de taak heb om het hem voor te leggen en van hem te vragen vanaf nu wat beter op te letten tegen wie hij wat zegt.

Hij valt wat stil weg. Leunt wat naar achteren in zijn rolstoel. Kijkt me aan. Ernstig en dan meer samenzweerderig:

‘Wil je het weten?’ vraagt hij me.
‘Wat wil ik weten?’ vraag ik hem.

Hij buigt zich opeens jongensachtig naar me toe en zegt:

‘Ik lust er wel pap van…….’

Mensen als mijnheer Planteijn lopen al gauw het risico slachtoffer te worden van onkunde, onbegrip, persoonlijk geraakte en gekwetste mensen met nare ervaringen, meningen, oordelen, die niet zo snel in staat zijn dieper in de materie van een man als mijnheer Planteijn te duiken. Er is hier namelijk sprake van decorumverlies.
Decorum bestaat uit geschreven en ongeschreven regels hoe je je hoort te gedragen in gezelschap. Om dat te kunnen heb je een gezond functionerend brein nodig. Als je dat niet meer hebt, zoals bij mijnheer Planteijn  het geval is, dan zeg je dingen die je normaal -bewust en/of onbewust- in je Persoonlijke Schaduw hebt en daar ook bij voorkeur houdt. Omdat je weet dat je jezelf weinig populair maakt als je alles uitkraamt wat daar ronddoolt. Er zijn legio aandoeningen en aanleidingen waar materiaal uit de Schaduw in het licht stapt. Ongewild. Want voor de Wil is een goed werkend bewustzijn nodig. Dat is er dan helaas niet.

Mensen als mijn heer Planteijn mogen worden bijgestuurd, dat zijn goede pogingen. Echter, als die niet slagen dan mogen we het de mens Planteijn niet kwalijk nemen. Er is geen vermogen tot Verantwoordelijk kunnen zijn, er is dan ook geen Schuld.

Ik weet het, er lopen mensen rond die hiermee een spelletje kunnen spelen en kunnen doen alsof ze niet toerekeningsvatbaar zijn. Toch, in verhouding zijn dat er niet voldoende om steevast over te gaan, of te blijven volharden, in het oordeel en het aan de kant zetten van mensen als mijnheer Planteijn. Niet altijd makkelijk, maar wel rechtvaardiger.  Misschien moeten we ons ervan bewust zijn hoe snel we soms liever oordelen in plaats van empathisch of beter geïnformeerd te zijn.

En datte we toffe jongens zijn

En datte we toffe jongens zijn….

Het is zomer en ik werk als verpleegkundige in een regionaal woon/zorgcentrum.  Ik geef normaal trainingen in de zorg, ook hier, maar in de zomer is daar geen vraag naar. Om zo’n periode te overbruggen ben ik weer te zien in de praktijk.  Dat vind ik heel plezierig. Ik houd van het werk en heb graag contact met de bewoners van zo’n zorginstelling. Jarenlang was ik theorie-docent in het vak verpleegkunde, maar in mijn hart ben ik praktijkmens.

Vandaag stap ik de kamer in van mevrouw Hoebert. Ik ken haar nog niet goed. Ik heb me eerder al wel voorgesteld, haar verteld wie ik ben en wat ik kom doen in deze periode.
Zij lijkt me een aardige vrouw, zo begin tachtig. Ik kom haar ruimte binnen, zeg haar goede morgen en doe op haar verzoek de gordijnen wat open. Het valt me op dat ze haar kamer zorgvuldig en harmonisch ingericht heeft. De kleuren kloppen, de meubels staan op een aangename plek, alles fijn op orde.  Nadat ik haar verzorgd heb, wat zij deels zelf nog heel goed kan, ruim ik de dingen in de kamer wat aan kant. Zij doet ook haar ding wat betreft haar uiterlijk. Er is rust. We zijn allebei bezig. In de stilte die ontstaat hoor ik haar opeens wat neuriën. Het neuriën gaat over in een zachte zang, zonder woorden, na na na…Ik herken de melodie.  Het is ‘en datte we toffe jongens zijn’…. Dat ken ik.

Ik vind het altijd mooi om bij iemand ‘in te voegen’  en daardoor aan te sluiten. Dus ik na…na…na mee en breng wat ritme in het vrolijke melodietje.

‘Dat is een bekend liedje.’ zeg ik. ‘Vrolijk.‘
‘Ja…..’ reageert ze, wat aarzelend.
Ik wacht even, voel van binnen wat ik hieraan hoor en zeg: ‘Nou, als ik u goed hoor dan is het niet echt vrolijk?’
‘Nee, nou, dat is een heel verhaal’, zegt ze, terwijl ze me aankijkt met een blik waaruit ik lees ‘ik zou het je wel willen vertellen, maar daar heb je toch geen tijd voor’.  ‘Dat zou ik wel fijn vinden, mevrouw Hoebert. Dan kom ik even bij u zitten, want met m’n twee meter lengte moet u zo omhoog kijken ….. Is dat goed?’  Ze knikt verrast.  Ik pak een stoel. Mevrouw Hoebert zit op de rand van haar bed.

Zij vertelt me haar verhaal. En nu ik dit opschrijf ontroert het me opnieuw. Het is haar betekenisvolle drama dat haar hele leven vult en vormt.

Het is 1945, de dag na de Bevrijding. Haar zoontje Nico speelt buiten met zijn vriendjes op het veldje. Ze spelen ‘optochtje’ en lopen in slierten achter elkaar aan. Ze zingen schaterend  ‘en datte we toffe jongens zijn’.  Nederland is immers vrij!  Om zichzelf op te tuigen pakken ze wat rommel van het veld op en hangen dat om hun nek of lopen ermee te zwaaien. Zo ook Nico. Hij vindt een versleten leren gordel met wat voorwerpen erin en hangt dat om z’n nek terwijl hij achter de horde aanrent. En dan gebeurt het. De gordel ontploft. Het blijkt een granaat.

Ze snikt. De sterke vrouw die bij me zit laat me haar gebrokenheid zien. Ik neem haar hand in de mijne. Geen woorden. Alleen de aanraking. Er komt nog meer, zie ik.

‘Het mooie is dat Nico nog steeds voortleeft. Ik heb meer kinderen. En die kinderen kregen kinderen. En in alle namen van die kinderen komt iets van Nico terug. Ze kregen namen als Nico, Nicolette, Nicole, Niels, Co, Nikkie, … Zo lief….’

Ze laat me een foto zien van haar met haar familie.  Ze staan er met z’n allen lachend op. En de lach is echt, dat zie je.

We bedanken elkaar, voor het luisteren, voor het vertellen, voor het delen. Voor mij is ze het levend voorbeeld van hoe mensen iets bar-ellendigs kan overkomen en dat je dan toch je kracht vindt, in jezelf en om je heen, om je leven er niet door kapot te laten maken, maar je pijn weet te transformeren in een bron van kracht en liefde. Om uit de puinhoop te verrijzen en iets van betekenis te creëren. Chapeau!

Alle hens aan dek

Alle hens aan dek

Er is alarm. Er komt straks een kraamvrouw binnen waarbij het kindje niet goed blijkt te liggen.  Alle hens aan dek. Dit wordt geheid een keizersnee. Maar alle hens zit thuis, ergens anders, is vrij. Moet worden opgeroepen. Is onderweg. Ik ben maar pas in dienst op de verlos-afdeling, zit in de nachtdienst en ik maakte dit nog niet eerder mee. Ik zit in de nachtdienst met geroutineerde collega’s.  Men wijst mij mijn plek voor deze situatie. Ik mag blijven, ik mag kijken, niets doen, getuige zijn van, overal afblijven, orders stipt uitvoeren, als die al komen. Zij doen alles. Het is me duidelijk. Hier is iets groots op handen. Ik houd me, zoals verzocht, gedeisd en maak het mee.

De lichten op de OK flitsen aan, de apparatuur start op. Dan stromen er mensen binnen. De vakmensen. Een voor een schieten ze in hun groene kleding, wassen handen, ordenen materiaal, doen wat ieder weet wat te doen. Het is een veel gerepeteerde ingesleten opkomst van mensen die elkaar blindelings vertrouwen. Zo voelt dat, zo is dat waar te nemen. Er wordt niet geschreeuwd, er zijn wel orders en aanwijzingen, controle-vragen en respons. En dat alles vindt plaats binnen krap een half uur tijd.  Ik ben diep onder de indruk, voel me ook trots op onze mensen en ben super-blij dat ik er deel van mag uitmaken.

De ambulancebroeders stormen binnen met mevrouw en zij wordt klaargemaakt voor OK.  Niet veel later komt het kind uit haar buik. En het kind moet van ver komen. Een boreling krijgt scores, de APGAR score. Die moet het liefst 10 zijn, 5 x 2 punten. Vijf vitale onderdelen: huidskleur, hartslag, reflexen, spierspanning, ademhaling. De kinderarts,  die de zorg voor het kind meteen overneemt, constateert een minimale apgar- score. Hartslag en ademhaling willen niet. Er is zuurstof, terwijl de kinderarts de borstkas van het kind masseert tussen zijn duim en wijsvinger. De klok tikt verder. Hij is vijf minuten bezig, zes nu. De kraamvrouw wordt intussen weer gehecht. Zij is buiten bewustzijn, maar wel in de ruimte. Wat krijgt zij mee? Wat krijgt het kind mee? We weten nog zoveel niet.

‘We naderen de grens’ zegt de kinderarts. ‘Het kind is te onvolgroeid, ben ik bang. Ik krijg het niet op gang. De Apgar-score loop niet meer op.’  ‘Wat is de Apgar-score?’, roept de chirug die de moeder aan het hechten is.  De kinderarts antwoordt hem en zij kijken elkaar even aan. ‘Op 15 minuten stop ik’, zegt de kinderarts.
Op 15 minuten stopt de arts zijn pogingen en kijkt ons allemaal éen voor éen aan.
‘Niet alles is in onze handen,’ zegt hij en dekt het kind liefdevol toe.

De ouders zijn natuurlijk intens verdrietig. Daags erna laat de vader ons weten dat hij ontzettend onder de indruk is van hoe wij met z’n allen hebben gehandeld en samengewerkt en dat hij ons heeft zien vechten voor hun kind. Ja, vanzelf. ‘Dit is niet vanzelf’, zegt hij. ‘Dit is echt een roeping.’ Zij stonden erop ons te trakteren op beschuit met blauwe muisjes. Ook om de betekenis van het kind te eren.

Terwijl ik dit nu allemaal opschrijf merk ik dat het verdriet over dat het niet mocht lukken heel dichtbij is en zich makkelijk laat oproepen. En de ontroering die ik ervaren heb bij het getuige mogen zijn van zo’n, haast intieme, gebeurtenis en samenwerking.
Ik weet ook dat ik indertijd vooral ‘doorging’ en niet zo met voelen en verwerken bezig was, terwijl ik juist heel veel voelde.
Ik kan goed doorgaan en ben niet kapot te krijgen eigenlijk. Dat is altijd zo geweest. Ik mag nog leren beter kontakt te maken met mijn gevoelens. Dat blijkt een lange intensieve weg. En haalbaar.

Ik vind het fijn om met dit verhaal deze intense gebeurtenis betekenis te geven. Voor de moeder, voor de vader die ik nooit zelf life ontmoet heb, alle betrokken helpers en artsen. En voor het kind: ik voel de behoefte om je nu een naam te geven.
Ik noem je Sander.

De noodzaak van Patienteninformatie

De noodzaak van Patiënten-informatie

Ze is volkomen verbijsterd. De artsen hebben vastgesteld dat ze zwanger is! Terwijl ze de pil gebruikt. Niet dat ze daarvoor is opgenomen, het is een ‘bijvangst’ van andere onderzoeken.  Ze is er erg van geschrokken. Dit kan toch niet, of zou in ieder geval niet mogen kunnen!

‘Ik gebruik de pil! Ik stop hem er elke dag in!’,  zegt ze tegen me. Terwijl ik wegloop dringt er iets tot me door. Wat hoor ik haar nou zeggen?  Dus ik terug. ‘Mevrouw, misschien een rare vraag, maar u zegt: ik stop hem er elke dag in. Mag ik vragen….waarin?’
‘Ja,’ zegt ze, op een verontwaardigde toon als dat ik sta te vragen naar de bekende weg en een geintje met haar uithaal. ‘Hierin natuurlijk’,  en ze wijst op haar kruis.

De pil is in die jaren pas in zwang gekomen en het was niet voor iedereen gewoon om er vrijuit over te kunnen praten. Wat een schrik.

Voordat je over zoiets met elkaar kunt lachen ben je wel een paar dagen verder….