Zeg jij het maar

Zeg jij het maar

Het is 22.30 uur. De nachtdienst op de ambulance is nog maar net begonnen.  De collega’s van de avonddienst zijn naar huis en we zijn met z’n tweeën over.  Huijer is er niet, ik ben met de chauffeur van mijn eerste dag. Hernieuwde kennismaking? Vooruit.

Er rijdt ’s nachts maar éen ambulance voor de hele regio. Dat is dan Haarlem, Heemstede, Overveen, Bloemendaal, Bentveld, Santpoort, afijn, super-breed. En qua uitrusting: alles op EHBO-gebied, zuurstof en brancard. Bemanning: een chauffeur met EHBO-diploma en een verpleegkundige, of in dit geval een 2e jaars stagiair/ leerling verpleegkundige – A. Deze nacht ben ik dat.  Dat is het pakket anno 1973.

De melding ’s nachts verloopt via de meldkamer van de Brandweer.

De telefoon gaat. Brandweer. Melding. Tentamen suïcide in de Koepel van Haarlem, ofwel een zelfmoordpoging in de gevangenis. Zwaailichten, sirene, naar de Koepel.

Ik ben er bekend, want met ons jongerenkoor Haarlem Noord hebben we daar een aantal keren op zondag bij een kerkdienst gezongen.  Altijd wel wat spannend.

Het betreft een jongeman die zijn pols heeft doorgesneden. Het is al snel helder dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij levensmoe zou zijn. Daarvoor kijkt hij te levenslustig uit zijn ogen. Maar hij is wel echt gewond en het ziet ernaar uit dat het moet worden behandeld op chirurgie. Dus: de brancard op en de auto in. Geen politiebegeleiding niks. Vreemd achteraf….Maar, met hem krijgen we geen moeilijkheden. We stappen in de cabine van de ambulance.

De telefoon gaat. Brandweer. Melding.  Hartstilstand in Bloemendaal. We zijn de enige ambulance. ‘Zeg ’t maar, jij bent de verpleegkundige’, zegt m’n chauffeur/collega.
Lekker dan. We staan voor de Koepel, hebben een patiënt ‘ingeladen’ en dan nu deze melding die vraagt om snelle besluiten. Optie 1. Gevangene uitladen, van brancard af en naar Bloemendaal scheuren?  2. Patiënt afleveren bij ziekenhuis en dan door.
‘Rijden maar’,  beslis ik. ‘We vragen de Brandweer het ziekenhuis paraat te staan bij uitladen en wij gaan meteen door. ‘ Zo gebeurt het.  Het ziekenhuis reageert adequaat.

We komen in  Bloemendeel bij een groot pand. De oprit op, de voordeur staat open.

We gaan naar binnen en zien een grote huiskamer waar wat mensen stil bij elkaar zitten gedromd. Wat ik zie zijn verstarde mensen. Wat ik eraan voel is afstand. Misschien is het de schrik en de angst voor het ergste.  Ik zoek de patiënt. Als ik vraag waar deze is verwijst iemand ons naar boven. We gaan de trap op. Mevrouw gaat met ons mee om ons de weg te wijzen. We treffen meneer aan, hij ligt stil naast bed, alleen.
Hij is niet meer bij bewustzijn, niet meer aanspreekbaar. Ademhaling en pols zijn amper vast te stellen.

We proberen iets dat lijkt op reanimeren in combinatie met meteen transport inzetten.

De familie verzoekt ons om de man te vervoeren naar het ziekenhuis waar hij bekend is.

Onderweg doe ik wat ik kan, en dat is niet veel. De rit is gehaast en we slingeren. We zijn bij het ziekenhuis. Er is geen eerste opvang. Of we naar boven willen gaan, daar wacht ‘de ploeg’ blijkbaar op ons.  De chauffeur en ik duwen de man met brancard op wielen de lift in, drukken op de knop naar boven en de lift gaat tergend langzaam omhoog.

Mijn chauffeur/collega, die tot dusverre nog geen hand echt uitstak, springt opeens op de man op de brancard en begint hem demonstratief hartmassage toe te dienen met een drama alsof hij dat al non-stop aan het doen is. Als de liftdeuren open gaan zie ik veel ernstig kijkende mensen in witte jassen. Mijn collega ‘mag’ van de brancard af. Hij hijgt hoorbaar. Tjonge. Wat een act.

De patiënt wordt overgenomen en wij vertrekken.

De volgende dag word ik verzocht op gesprek te komen bij de baas van ons team en hij neemt stap voor stap de gebeurtenissen met me door. Er is een mogelijke klacht dat we laat waren. Te laat. En meneer was bekend bij het ziekenhuis. Ja, niet zoals ik het gedacht had, als patiënt, maar écht bekend. In een hoge functie.

De klacht wordt niet ingediend. We verwachten wél een weinig lovende vermelding van de aanrijd-tijd van de ambulance in de krant.

‘Kom, koffie’, zegt Huijer als hij me ziet. Hij kijkt me veelbetekenend aan. Die blik die ken ik onderhand en die staat voor: laat ze maar lullen. Even later zijn we weer op pad. Huijer vraagt nog bij me na wat zich die nacht heeft afgespeeld, besteedt ook wat zorg aan me, en ik hoor de spijt in zijn stem dat hij er niet zelf kon zijn.