Als het niet wil lukken

Als het niet wil lukken

We rijden net terug richting garage nadat we een mevrouw naar een verpleeghuis hebben gebracht. Dat zijn toch vaak, voor de persoon zelf, ingrijpende gebeurtenissen. Je meer zelfstandige bestaan heb je los te laten, je neemt afscheid van je huis en staat, zo krakkemikkig als je bent, voor de opdracht om er toch weer iets van te maken.
Huijer en ik kunnen het daar dan wel over hebben. We kennen allebei verlies. Huijer vertelt me regelmatig met enige trots over zijn zoon Johan. Niet zijn echte zoon. De zoon van de vrouw waarmee Huijer nu samenwoont. Zij is weduwe. Maar als ik Huijer het over Johan hoor hebben, dan hoor ik echte warmte, trots, zorg en toewijding. ‘Ik hou van hem alsof het mijn eigen zoon is’, zegt Huijer ook. Dat zit wel goed.

Melding. Hartstilstand in Haarlem Noord, man, in de veertig.

We zijn er binnen 7 minuten, we waren in de buurt. Als we het huis ingaan, de voordeur staat open, zien we de vrouw met haar twee kleine meisjes links in de huiskamer op twee meter afstand verbijsterd zitten staren naar het roerloze lichaam van een krachtig uitziende man in werkhemd. Haar man, hun vader, een erg jong gezin. De man is niet meer bij kennis. Ik voel geen pols en er is geen ademhaling.
‘Zuurstof’ zegt Huijer. ‘En massage’.  Ik ruk de fles uit de wagen en leg het bij de man aan. Het is secondenwerk. Ik neem de hartmassage van Huijer over terwijl hij de brancard uit de wagen haalt. De vrouw en kinderen zitten daar nog steeds als versteend. Er komt nu een buurvrouw binnen die zich over hen ontfermt. Huijer en ik laden de man met brancard in de wagen, waar ik de massage en de zuurstof, zo goed en zo kwaad als dat gaat, gaande houd. De vrouw blijft bij haar kinderen, we laten ze zo achter, de buurvrouw biedt hulp.

Bij het ziekenhuis – mijn eigen ‘Deo’ –   aangekomen, rijdt Huijer de brancard naar binnen terwijl ik daar nog op zit te masseren in een poging om de man in leven te houden. Ik vecht echt. Ik zie z’n vrouw, z’n twee meisjes, dit mag toch niet! Dat beeld staat in mij gegrift. Ik zweet van onder tot boven.

We zijn op cardiologie. Ik ga door en door. Er komen voor mij bekende collega’s naar ons toe om te helpen.

‘Komt u er maar af’. De stem naast me is vriendelijk en maar beslist. Ik moet dus stoppen met masseren, het opgeven? Verdergaan heeft geen zin?

Ik voel een hand op mijn schouder. ‘Komt u er maar af. Deze man is overleden.’
Het zijn de gezagvolle stem en de hand van dokter Staal (*), onze cardioloog. Een onbetwist meester in zijn vakgebied.

Eenmaal van de man op de brancard af, kom ik uitgeput en drijfnat van het zweet overeind. Ik word blijkbaar herkend aan mijn lengte.
‘Jeetje Ron, ben jij het?’

Ik weet niet wat te zeggen en ga met Huijer naar de wagen. Even bijkomen van alles.