Poortwachter zijn
Ik heb gedurende mijn loopbaan als docent verpleegkunde talloze examens afgenomen. Ik herinner me veel fijne momenten. Momenten waarop je met elkaar kunt vaststellen en vieren dat er op een goede manier een eindstreep is behaald. Enkele momenten blijven me bij, sommige zelfs met naam en toenaam. Daar was iets bijzonders mee.
Eindexamenkandidaten voor de opleiding tot verpleegkundige-B krijgen als laatste onderdeel een eindgesprek, waarin zij aangeven wat er volgens hen met de in de casus geschetste patiënt aan de hand is en wat de beste benadering zal zijn.
Bij het gesprek zijn aanwezig: een verpleegkundige uit de praktijk, een vakdocent en een rijks-gecommitteerde. Deze laatste heeft tot taak om te controleren of de examens aan de landelijke eisen voldoen. De docent verpleegkunde is voorzitter.
Tijdens het half uur voorbereiding op het gesprek ontwerpt de eindexamenkandidaat een behandel/verpleegplan. Tijdens het eindgesprek schetst hij dat plan voor de eindexamencommissie en wordt daarop bevraagd. Na 45 minuten beoordeelt de commissie de kwaliteit van de inbreng van de kandidaat en scoort voldoende of onvoldoende.
Ziekte van Huntington
De casus van dit eindgesprek gaat over een mijnheer die lijdt aan de ziekte Chorea van Huntington. Een ziekte waarbij hij, o.a. door spasmen in de armen, niet meer in staat is om met bestek zijn eten naar binnen te werken. Hij gebruikt daarvoor zijn vingers. Dat leidt tot stevige opmerkingen bij medepatiënten, waarvan steeds wordt gevraagd om netjes met vork en mes te eten. Eén van de vragen bij de casus is dat de eindexamenkandidaat voorstellen doet, hoe hij vindt dat er met mijnheer omgegaan moet worden.
Op een bepaald moment stelt de leerling-verpleegkundige, dat wat hem betreft de patiënt moet worden onderworpen aan een gedragstherapeutische interventie, met behulp van een tokon-economy-systeem, om hem te dwingen weer met mes en vork te eten.
Ik schrik me een hoedje. Pas later, als ik erop reflecteer weet ik: dit was voorspelbaar bij deze leerling. Ik had het eerder bij hem meegemaakt. Zijn idee komt er namelijk – vergelijkenderwijs- op neer dat je de suggestie doet om bij iemand, die een halfzijdige verlamming heeft, te eisen dat hij weer op twee benen leert staan. Een onmogelijkheid.
Het verbaast me achteraf dus niet. Want eerder al was er een situatie in de praktijk waarbij de leerling een grove miskleun had gemaakt. In dit geval bij de verpleging van een manisch psychotische vrouw met seksuele ontremming. In haar ontremming wilde zij weer eens voelen hoe een mannelijk geslachtsdeel voelde en de leerling had haar haar hand in zijn broek doen steken. Meer dan alleen een blunder. Grensoverschijdend en super-dom. Mevrouw had na haar psychose nog haar heldere herinnering hierover en heeft zich te pletter geschaamd. Tot een klacht kwam het toen niet.
In die situatie werd de leerling de hand boven het hoofd gehouden en hij werd gespaard.
De misser die ikzelf bij dit eindgesprek bega is dat ik zó geraakt word door zoveel dommigheid, er verbouwereerd door ben, boos word en bij mijn beoordeling van het gesprek aangeef dat ik vind dat de kandidaat niet mag slagen als hij dit soort indrukwekkende blunders maakt.
Ik vermoed dat ik de commissie daarvan had kunnen overtuigen als ik rustig was gebleven. In dit geval ging dat mis. Mij werd verweten dat ik persoonlijk geraakt was en daarmee niet meer objectief kon zijn naar de kandidaat, aldus de praktijkverpleegkundige. Dat ik zelf twijfels had over de objectiviteit van de praktijkverpleegkundige (men kwam al eerder mee als collega en advocaat van de kandidaat in deze gesprekken) slikte ik in. Dat was ook nooit hard te maken.
Met de opmerking van de vakdocent dat de kandidaat vast geschikte collega’s zou hebben mocht hij in de praktijk nog wat te leren hebben, kreeg deze kandidaat – onder het gezag van de rijksgecommitteerde- het voordeel van de twijfel.
Het deed mij pijn, maar formeel had men wellicht gelijk. En het is niet de eerste keer dat er personen bij en over de eindstreep komen, terwijl er gegronde redenen zijn tot grote zorg over hun kwaliteiten. Zoiets komt vaker gedurende mijn werkzame leven voorbij. Als latere opleider en supervisor heb ik daar een betere vorm in gevonden.
Men leert altijd, dus ook ik.
Later maak ik veel werk van het fenomeen ‘Cesuur’, de meetlat waarlangs je een student en zijn/haar prestaties legt om de prestaties met elkaar te kunnen vaststellen. Zo’n ‘cesuur’ moet je als opleider helder krijgen en maken. De toetssteen. Die ook helderheid moet geven aan de studenten over wat er verwacht wordt en waar je op beoordeeld wordt.
En met elkaar op scherp zetten dat je Poortwachter bent. Als opleider, als collega/werkbegeleider en mede-toetser. Je bent er verantwoordelijk voor dat iemand op eigen kracht het veld ingaat, tot de beroepsgroep wordt toegelaten, op mede jouw verantwoording. Dan is wat mij betreft ook niet steeds de toets-prestatie doorslaggevend. Ooit liet ik een eindgesprek stilleggen en vroegtijdig afsluiten toen een leerling geen woorden had. In de stilte was zijn aanwezigheid als een weldaad. Naar inschatting van de commissie een goede verpleegkundige, met name voor de patiënt die niet uit de voeten kan met het vele verbale geweld zoals je dat vaak in de praktijk wel tegenkomt. De man ‘ voelde en wist’ zichtbaar van binnen alles. Wel arbitrair. Klopt. Ik neem van harte de verantwoordelijkheid 😉