Reanimeer-meisje
Mensen gaan hier dood, dat is me onderhand duidelijk. Ze zijn ziek en of gewoon oud en hun tijd is gekomen. Als ze dat tenminste gegund wordt. Redden kan namelijk ook altijd nog.
Het is half acht en ik breng de tachtigjarige man zijn ontbijt. Dat wil zeggen, ik zet het dienblad dat ik zojuist uit de etenskar heb getrokken, op het uitgeklapte blad van zijn kastje.
‘Ik kom het zo voor u klaarmaken, even de andere bladen rondbrengen.’ Hij vind het best.Als ik even later bij hem terugkom is hij dood. Zijn hoofd ligt iets naar links, zijn ogen zijn gesloten en om zijn mond speelt een vredige glimlach.Het is volbracht, denk ik. Prachtig, zo kan het ook. Gewoon de laatste adem uitgeblazen.
“José”, roep ik mijn oudere –en daarmee verantwoordelijke- collega. Tja, ik ben hier leerling.José komt binnen, ziet wat er aan de hand is, doet drie ferme stappen voorwaarts, rukt de lakens van de man af en wil de eerste klap uitdelen op diens borstkas.
‘Wat ga je nou doen?’ roep ik uit. ‘ Wacht even! Hij is gewoon overleden!’
José kijkt naar hem, naar mij, naar hem en zegt: ‘Je hebt gelijk, het is goed.’
Op het moment dat José de situatie in de verpleegpost meldt pakt de dienstdoende religieus resoluut de telefoon, tikt vier keer de 2 in en alarmeert daarmee het reddend duo van de hartafdeling, dat inderdaad in no-time afgepeigerd de afdeling oprent.
Gelukkig doen zij niets, behalve betekenisvol naar de man kijken, naar ons, naar de zuster , om vervolgens nuchter te constateren: ‘Die mijnheer is gewoon gestorven…. Goedemorgen.’
‘Ron, kun je even in het kantoor komen’, vraagt de dienstdoende religieus.
‘Ik begrijp dat jij die mijnheer vanmorgen als eerste zo hebt aangetroffen??…’ Terwijl zij dat zegt kijkt ze me al vermanend aan. Als ik dat bevestig zegt ze: ‘ Je weet toch hoe je moet reanimeren?’ Ik knik. ‘Als je zo’n situatie aantreft ben jij verplicht om te reanimeren’, zegt ze, als vanzelfsprekend overtuigd van haar gelijk. ‘Zelf heb ik een keer in een avonddienst een patiënt wel vier keer op die manier in het leven teruggehaald. Tja, dat-ie alsnog die nacht overleed omdat ík geen dienst had, dat kan ik ook niet helpen….maar ik heb hem wel vier keer van de dood gered!’ De trots klinkt door in haar stem en, nogmaals, zij is overtuigd dat dit verreweg de beste optie is.
Als ik na deze reprimande het kantoor uitloop neem ik mij voor het een volgende keer precies zo te doen. Gewoon mooi doodgaan, daar is niets lelijks aan.