Alle hens aan dek
Er is alarm. Er komt straks een kraamvrouw binnen waarbij het kindje niet goed blijkt te liggen. Alle hens aan dek. Dit wordt geheid een keizersnee. Maar alle hens zit thuis, ergens anders, is vrij. Moet worden opgeroepen. Is onderweg. Ik ben maar pas in dienst op de verlos-afdeling, zit in de nachtdienst en ik maakte dit nog niet eerder mee. Ik zit in de nachtdienst met geroutineerde collega’s. Men wijst mij mijn plek voor deze situatie. Ik mag blijven, ik mag kijken, niets doen, getuige zijn van, overal afblijven, orders stipt uitvoeren, als die al komen. Zij doen alles. Het is me duidelijk. Hier is iets groots op handen. Ik houd me, zoals verzocht, gedeisd en maak het mee.
De lichten op de OK flitsen aan, de apparatuur start op. Dan stromen er mensen binnen. De vakmensen. Een voor een schieten ze in hun groene kleding, wassen handen, ordenen materiaal, doen wat ieder weet wat te doen. Het is een veel gerepeteerde ingesleten opkomst van mensen die elkaar blindelings vertrouwen. Zo voelt dat, zo is dat waar te nemen. Er wordt niet geschreeuwd, er zijn wel orders en aanwijzingen, controle-vragen en respons. En dat alles vindt plaats binnen krap een half uur tijd. Ik ben diep onder de indruk, voel me ook trots op onze mensen en ben super-blij dat ik er deel van mag uitmaken.
De ambulancebroeders stormen binnen met mevrouw en zij wordt klaargemaakt voor OK. Niet veel later komt het kind uit haar buik. En het kind moet van ver komen. Een boreling krijgt scores, de APGAR score. Die moet het liefst 10 zijn, 5 x 2 punten. Vijf vitale onderdelen: huidskleur, hartslag, reflexen, spierspanning, ademhaling. De kinderarts, die de zorg voor het kind meteen overneemt, constateert een minimale apgar- score. Hartslag en ademhaling willen niet. Er is zuurstof, terwijl de kinderarts de borstkas van het kind masseert tussen zijn duim en wijsvinger. De klok tikt verder. Hij is vijf minuten bezig, zes nu. De kraamvrouw wordt intussen weer gehecht. Zij is buiten bewustzijn, maar wel in de ruimte. Wat krijgt zij mee? Wat krijgt het kind mee? We weten nog zoveel niet.
‘We naderen de grens’ zegt de kinderarts. ‘Het kind is te onvolgroeid, ben ik bang. Ik krijg het niet op gang. De Apgar-score loop niet meer op.’ ‘Wat is de Apgar-score?’, roept de chirug die de moeder aan het hechten is. De kinderarts antwoordt hem en zij kijken elkaar even aan. ‘Op 15 minuten stop ik’, zegt de kinderarts.
Op 15 minuten stopt de arts zijn pogingen en kijkt ons allemaal éen voor éen aan.
‘Niet alles is in onze handen,’ zegt hij en dekt het kind liefdevol toe.
De ouders zijn natuurlijk intens verdrietig. Daags erna laat de vader ons weten dat hij ontzettend onder de indruk is van hoe wij met z’n allen hebben gehandeld en samengewerkt en dat hij ons heeft zien vechten voor hun kind. Ja, vanzelf. ‘Dit is niet vanzelf’, zegt hij. ‘Dit is echt een roeping.’ Zij stonden erop ons te trakteren op beschuit met blauwe muisjes. Ook om de betekenis van het kind te eren.
Terwijl ik dit nu allemaal opschrijf merk ik dat het verdriet over dat het niet mocht lukken heel dichtbij is en zich makkelijk laat oproepen. En de ontroering die ik ervaren heb bij het getuige mogen zijn van zo’n, haast intieme, gebeurtenis en samenwerking.
Ik weet ook dat ik indertijd vooral ‘doorging’ en niet zo met voelen en verwerken bezig was, terwijl ik juist heel veel voelde.
Ik kan goed doorgaan en ben niet kapot te krijgen eigenlijk. Dat is altijd zo geweest. Ik mag nog leren beter kontakt te maken met mijn gevoelens. Dat blijkt een lange intensieve weg. En haalbaar.
Ik vind het fijn om met dit verhaal deze intense gebeurtenis betekenis te geven. Voor de moeder, voor de vader die ik nooit zelf life ontmoet heb, alle betrokken helpers en artsen. En voor het kind: ik voel de behoefte om je nu een naam te geven.
Ik noem je Sander.


ons.


en meegenomen, het ruikt en oogt super-fris. Pietje fluit een keer, nog eens, en zowaar, een uur later blijkt het te kunnen zingen. Het valt de dames op en een paar mevrouwen moedigen Pietje tot verder fluiten aan. Klus geklaard. En tevreden. Dit was nuttig.
Jan Mimpen (*)
Ach, laat me nog even?…..