Alle hens aan dek

Alle hens aan dek

Er is alarm. Er komt straks een kraamvrouw binnen waarbij het kindje niet goed blijkt te liggen.  Alle hens aan dek. Dit wordt geheid een keizersnee. Maar alle hens zit thuis, ergens anders, is vrij. Moet worden opgeroepen. Is onderweg. Ik ben maar pas in dienst op de verlos-afdeling, zit in de nachtdienst en ik maakte dit nog niet eerder mee. Ik zit in de nachtdienst met geroutineerde collega’s.  Men wijst mij mijn plek voor deze situatie. Ik mag blijven, ik mag kijken, niets doen, getuige zijn van, overal afblijven, orders stipt uitvoeren, als die al komen. Zij doen alles. Het is me duidelijk. Hier is iets groots op handen. Ik houd me, zoals verzocht, gedeisd en maak het mee.

De lichten op de OK flitsen aan, de apparatuur start op. Dan stromen er mensen binnen. De vakmensen. Een voor een schieten ze in hun groene kleding, wassen handen, ordenen materiaal, doen wat ieder weet wat te doen. Het is een veel gerepeteerde ingesleten opkomst van mensen die elkaar blindelings vertrouwen. Zo voelt dat, zo is dat waar te nemen. Er wordt niet geschreeuwd, er zijn wel orders en aanwijzingen, controle-vragen en respons. En dat alles vindt plaats binnen krap een half uur tijd.  Ik ben diep onder de indruk, voel me ook trots op onze mensen en ben super-blij dat ik er deel van mag uitmaken.

De ambulancebroeders stormen binnen met mevrouw en zij wordt klaargemaakt voor OK.  Niet veel later komt het kind uit haar buik. En het kind moet van ver komen. Een boreling krijgt scores, de APGAR score. Die moet het liefst 10 zijn, 5 x 2 punten. Vijf vitale onderdelen: huidskleur, hartslag, reflexen, spierspanning, ademhaling. De kinderarts,  die de zorg voor het kind meteen overneemt, constateert een minimale apgar- score. Hartslag en ademhaling willen niet. Er is zuurstof, terwijl de kinderarts de borstkas van het kind masseert tussen zijn duim en wijsvinger. De klok tikt verder. Hij is vijf minuten bezig, zes nu. De kraamvrouw wordt intussen weer gehecht. Zij is buiten bewustzijn, maar wel in de ruimte. Wat krijgt zij mee? Wat krijgt het kind mee? We weten nog zoveel niet.

‘We naderen de grens’ zegt de kinderarts. ‘Het kind is te onvolgroeid, ben ik bang. Ik krijg het niet op gang. De Apgar-score loop niet meer op.’  ‘Wat is de Apgar-score?’, roept de chirug die de moeder aan het hechten is.  De kinderarts antwoordt hem en zij kijken elkaar even aan. ‘Op 15 minuten stop ik’, zegt de kinderarts.
Op 15 minuten stopt de arts zijn pogingen en kijkt ons allemaal éen voor éen aan.
‘Niet alles is in onze handen,’ zegt hij en dekt het kind liefdevol toe.

De ouders zijn natuurlijk intens verdrietig. Daags erna laat de vader ons weten dat hij ontzettend onder de indruk is van hoe wij met z’n allen hebben gehandeld en samengewerkt en dat hij ons heeft zien vechten voor hun kind. Ja, vanzelf. ‘Dit is niet vanzelf’, zegt hij. ‘Dit is echt een roeping.’ Zij stonden erop ons te trakteren op beschuit met blauwe muisjes. Ook om de betekenis van het kind te eren.

Terwijl ik dit nu allemaal opschrijf merk ik dat het verdriet over dat het niet mocht lukken heel dichtbij is en zich makkelijk laat oproepen. En de ontroering die ik ervaren heb bij het getuige mogen zijn van zo’n, haast intieme, gebeurtenis en samenwerking.
Ik weet ook dat ik indertijd vooral ‘doorging’ en niet zo met voelen en verwerken bezig was, terwijl ik juist heel veel voelde.
Ik kan goed doorgaan en ben niet kapot te krijgen eigenlijk. Dat is altijd zo geweest. Ik mag nog leren beter kontakt te maken met mijn gevoelens. Dat blijkt een lange intensieve weg. En haalbaar.

Ik vind het fijn om met dit verhaal deze intense gebeurtenis betekenis te geven. Voor de moeder, voor de vader die ik nooit zelf life ontmoet heb, alle betrokken helpers en artsen. En voor het kind: ik voel de behoefte om je nu een naam te geven.
Ik noem je Sander.

De noodzaak van Patienteninformatie

De noodzaak van Patiënten-informatie

Ze is volkomen verbijsterd. De artsen hebben vastgesteld dat ze zwanger is! Terwijl ze de pil gebruikt. Niet dat ze daarvoor is opgenomen, het is een ‘bijvangst’ van andere onderzoeken.  Ze is er erg van geschrokken. Dit kan toch niet, of zou in ieder geval niet mogen kunnen!

‘Ik gebruik de pil! Ik stop hem er elke dag in!’,  zegt ze tegen me. Terwijl ik wegloop dringt er iets tot me door. Wat hoor ik haar nou zeggen?  Dus ik terug. ‘Mevrouw, misschien een rare vraag, maar u zegt: ik stop hem er elke dag in. Mag ik vragen….waarin?’
‘Ja,’ zegt ze, op een verontwaardigde toon als dat ik sta te vragen naar de bekende weg en een geintje met haar uithaal. ‘Hierin natuurlijk’,  en ze wijst op haar kruis.

De pil is in die jaren pas in zwang gekomen en het was niet voor iedereen gewoon om er vrijuit over te kunnen praten. Wat een schrik.

Voordat je over zoiets met elkaar kunt lachen ben je wel een paar dagen verder….

 

 

 

 

Rekenwonder of wonderlijk rekenen?

 

Rekenwonder of wonderlijk rekenen?

Of: hoe een klein detail een wereld van verschil kan maken.

Ze is opgenomen nadat ze bij de huisarts is geweest waar ze aangegeven heeft dat ze in juni uitgerekend is. De huisarts stelde vast dat ze ‘te dik’ is voor het aantal maanden dat ze zwanger is en dat er mogelijk sprake is van hydramnion. Hydramnion is de toestand waarbij er een teveel aan vruchtwater is. Ook is mogelijk dat het kind in de buik groter is dan je gezien het aantal maanden mag verwachten. Wat ook. Reden voor onderzoek en zorg. Ze is er nu een maand en men is niet veel wijzer geworden.

Het is artsenvisite. Dat betekent dat de hele stoet ‘witjassen’, zoals ze oneerbiedig worden genoemd, bed na bed aandoet en een gesprekje met de patiënt aangaat om zaken uit te wisselen en deze weer helder op het netvlies te krijgen. Zo ook met deze vrouw, die graag Nadine genoemd wil worden.

Nadine is onder de indruk van de stoet. Toch gauw acht ‘witjassen’. De dokter met de bril voor op de neus kijkt naar Nadine en vervolgens naar zijn gegevens in het dossier.

‘Nou mevrouw’, begint hij. ‘Nadine’ zegt zij nadrukkelijk.  Hij kijkt haar over zijn bril aan en begint opnieuw. ‘Mevrouw, we staan bij u, na een maand opname, nog steeds voor een raadsel. Laten we het nog eens doornemen.’  De eerste dag van de laatste menstruatie …oktober…. Dan …ja.. even doorrekenen…. november, december, januari, februari, maart, april, mei, juni, juli…….’

‘Nee,’ reageert Nadine met een brede glimlach, ‘Dat doet u fout.’   ‘Wat doe ik volgens u fout, mevrouw?’

‘Nou, U doet juni >  juli en het is juli >  juni!. Met een ‘stommeling’ op haar gezicht kijkt ze de dokter triomfantelijk aan.

De dokter zwijgt. Verbouwereerd, hij laat de waarheid tot zich doordringen, loopt rood aan en zegt tegen de assistent:  ‘Morgen bloedprikken en naar huis.’

Perikelen op Verlos en Kraam: Bevallen !

Bevallen !

Stage op afdeling Verlos en Kraam, dat levert veel verschillende ervaring op. Er is veel vreugde, maar ook onbeschrijflijk veel verdriet. Het is natuurlijk de afdeling waar het gaat over leven dat redelijk moeiteloos hoort te beginnen maar dat niet doet. Daarom zijn de mensen ook hier.

Als leerling tweede en derde jaar loop je daar stage, ben je medewerker. Je maakt van alles mee.

Daar is de Turkse vrouw. Zij moet bevallen en heeft de pech dat er geen enkele vrouwelijke verloskundige te vinden valt op dit moment. Er is alleen een mannelijke dokter.  En ik ben de enige verpleegkundige die in de buurt is en ook al een man.

Mevrouw spreekt en verstaat geen Nederlands. We moeten ons behelpen met mimiek en gebarentaal. Die is wat haar betreft heel duidelijk. ‘Ik wil geen mannen aan mijn lijf’ zendt zij uit. We snappen het, de arts en ik, denken we, en toch: de tijd dringt. Er is haast want er is gevaar gesignaleerd. De dokter mag wel toucheren om de ontsluiting te bepalen. Met de hand onder de lakens. De lakens bedekken haar blote onderlijf van het begin af aan.  We snappen het, we kennen het niet zo. Maar het is oké, we redden ons.

De dokter en ik staan beiden aan weerskanten naast haar bed. Opeens zien we onder het laken een golf tussen haar benen  bewegen. ‘Ah, daar zal je het vruchtwater hebben’, zegt de dokter, en hij slaat het laken terug. Tot onze verbijstering ligt daar een kind te spartelen.  De kraamvrouw is opgetogen, over het kind, maar grappig genoeg ook over ons optreden.  Met een dikke duim omhoog naar de dokter, naar mij, lijkt ze te zeggen:  ‘ Haha, ik heb mijn kind gebaard en jullie hebben er mooi niks van gezien!’

Fantastisch!

Perikelen op Verlos en Kraam: Fruit

Fruit

Of het door de beugel kan of niet, daar komen we niet echt uit. Vast staat dat de verplegers van het Marinehospitaal dingen kunnen maken die ‘wij’ niet kunnen maken. Het is altijd wel lachen, gieren, brullen als je hen in de buurt hebt. Maar ‘kan’ het?
Ja dus. In ieder geval gebeurt het.

Het bezoekuur is voorbij. Dan klinkt er een belletje, daar rinkel ik vandaag even mee. Als dat op de zondagavond gebeurt roep ik altijd: ‘Naar huis, heren. Sport in Beeld!’ Geeft meestal een lachsalvo.

Nu is het middag. Het bezoek mag afscheid nemen. Het zijn het meest mannen, mogelijk aanstaande vaders. Hun vrouw met dikke buik achterlatend op de ziekenkamers met elk zes bedden.  Het lekkers en het fruit dat het bezoek heeft meegenomen ligt op de ‘nachtkastjes’. Dat fruit maken wij vervolgens schoon. We persen sinaasappels, schillen peren en appels, snijden die in mootjes, serveren ze smakelijk op schoteltjes. In het hectische ritme van onze dag is deze activiteit een moment om op adem te komen, even de zinnen te verzetten. En het is echt een lekkernij voor de mevrouwen, ook door de aandacht waarmee je dit doet.

Om dat ritueel in gang te zetten koerst de marinier doelbewust naar de ziekenzaal vol hoogzwangere vrouwen en roept:  ‘Zijn er nog vrouwen die bevrucht willen worden!!!??’

Precies. Op zaal gebeurt precies wat u als lezer nu gebeurt. Zeg het maar!? 😉

Strandwacht

Strandwacht

Het is een bloedhete middag en Huijer en ik staan bij het strand van Bloemendaal/Zandvoort, omdat de afspraak is dat daar een ambulance hoort te staan om in geval van nood meteen te kunnen handelen. We staan er dan ook al de hele middag en op wat klein EHBO-werk na is er niets te doen geweest.
Het is Tweede Paasdag 1973. Het lijkt wel alsof half Haarlem en omgeving naar het strand gegaan is, zo druk is het. Het ziet in ieder geval zwart van de mensen.

Het loopt tegen vieren en onze dienst zit er bijna op. Veel strandgasten hebben al hun auto opgezocht en willen voor de drukte uit naar huis toe. Verstandig natuurlijk. Ze sluiten achteraan in de file naar Haarlem aan.

‘Zeg Ron’, zegt Huijer opeens tegen me. We zitten in de cabine van de ambulance te druppen.
‘Ja…?’ , reageer ik.
‘Jij hebt toch een afspraak om half vijf in Haarlem?’
‘Nee hoor, ik heb geen afspraak’.
‘Jawél, die heb je wél!’ zegt Huijer nu, terwijl hij me quasi serieus en een tikkie ondeugend aankijkt vanachter z’n grote brilleglazen in gouden montuur.

Ik begin het nu te snappen en speel het spel mee.
‘Ja natuurlijk, glad vergeten, dat is ook zo!’

‘Dacht ik’, zegt Huijer en start de ambulance. ‘Dan moesten we maar eens gaan zorgen dat we dat halen.’  De ambulance komt in beweging en Huijer drukt op DE twee knoppen.
De ene is voor de blauwe zwaailichten, de andere voor de sirene.

De Zeeweg staat compleet vast met al het naar huis terugkerend volk. Het is éen file, de hele Zeeweg, zo’n 7 kilometer lang, van onze standplaats tot aan Haarlem.

Zoals het hoort gaat iedereen voor een ambulance met signalen opzij. Men rijdt de berm in of gaat dicht op de buurman staan. Het gaat hier en daar niet zonder het nodige getoeter en minder aardige gebaren naar elkaar. Toch zijn wij best snel bij de rotonde aan de grens met Overveen. Op de rotonde staat een agent het verkeer te regelen. Als hij ons ziet en hoort aankomen stopt hij met groot vertoon al het andere verkeer en gebaart ons dat we veilig door kunnen. Dat doen we. Als we bij Haarlem zijn neemt Huijer gas terug, zet de sirene af en wat later gaan de zwaailichten uit.  Als het andere verkeer ons wat bevreemd bekijkt houden we ons gezicht in een professionele plooi. Zo van: dit gebeurt binnen ons werk nou eenmaal. Meldingen worden soms in getrokken.
‘Weet je, Ron. Het lijkt een kwajongensstreek. Maar met je ambulance achteraan de file aansluiten is het ook niet. Dan is de ambulance niet beschikbaar als we ergens dingend nodig zijn.’

‘We zijn er weer’, zegt Huijer even later. ‘Even afmelden en naar huis. Doe ik wel. Tot morgen! ’

Het is half vijf. Ik ga naar huis.

 

Ah, dat is iets voor mij

Ah, dat is iets voor mij….

Het valt me niet mee.
M’n eerste schreden in de ‘B’. Ik heb zojuist, maart 1975, de opleiding tot A-verpleegkundige afgerond en heb in de Deo in Haarlem een heerlijke tijd gehad. Ik voelde me daar gewenst, kundig en ik deed ertoe. Het is blijkbaar belangrijk dat je, vooral als man (carrière) zorgt voor een brede opleiding. Wie A zegt moet B zeggen. De ‘Z’ ligt gevoeliger en heeft een minder aanzien voor je toekomst…? Dus nu een collega-geslaagde van de Deo naar dit psychiatrisch ziekenhuis solliciteerde ging ik daarin met hem mee.
Nu ben ik geplaatst op een “chronische afdeling”. Een 18-tal vrouwelijke patiënten die het met elkaar hebben te doen. De sfeer is merendeels goed, de dames zijn ook wel aardig voor elkaar en daarnaast vliegen de vloeken en de scheldwoorden je om de oren en heb je de taak om de vrouwen uit elkaars greep te verlossen. Doordeweeks overdag zijn de meeste dames naar ‘therapie’. Vaak iets van dagbesteding.

Ik voel me er niet meteen op mijn plaats. Ik heb veel van een ‘doener’ in me en daar is op deze afdeling niet veel sprake van. Ik verveel me, voel me niet productief. Dat verandert als ik merk dat er een aquarium staat waar mogelijk vissen in zitten. Die vissen zijn niet echt te zien. Het glas is groen, dik groen. Een dikke laag alg.
Ah, denk ik, dat is iets voor mij.
Twee uur later is het aquarium schoner en zien de dames weer wat voorbij zwemmen.

Er is een Pietje, een goudgele kanarie, in een kooi op de hoge kast. Het zit er een beetje droevig, het kooitje is troeperig.
Ah, denk ik, dat is iets voor mij.
Een uurtje later zit Pietje in een glanzend schone kooi. Schelpzand had ik zelf gekocht en meegenomen, het ruikt en oogt super-fris. Pietje fluit een keer, nog eens, en zowaar, een uur later blijkt het te kunnen zingen. Het valt de dames op en een paar mevrouwen moedigen Pietje tot verder fluiten aan. Klus geklaard. En tevreden. Dit was nuttig.

Er is een medicijnklapper. Daarin worden de actueel gebruikte medicijnen bijgehouden en uitgelegd naar werking, bijwerking, dosering. Dan hoef je het hele dikke repertorium er niet steeds erbij te pakken. Handig…als het bijgehouden is. Niet dus.
Ah, denk ik, dat is iets voor mij.
Ik heb er een week of twee voor nodig om alles opnieuw uit te zoeken, te verzamelen en overzichtelijk te rubriceren. Het geeft me een heerlijke energie. Met voldoening doe ik de klapper een aantal malen open en dicht en vind dat de bevalling geslaagd en achter de rug is.
De collega’s zijn er blij mee, zo ook de teamleider.

Die roept me bij zich. “Ron, kan ik je even hebben?’  We zitten samen in kantoor en ze steekt van wal.

“Ron, ik ben erg over je te spreken. Je bent een aardige kerel, je gaat over het algemeen leuk met de dames om en wat me vooral opvalt is hoe goed je wat achterstallig onderhoud oppakt en uitvoert. We zien de vissen weer zwemmen, Pietje heeft een schone kooi en fluit weer, en we hebben een goed lopende medicijnklapper. Complimenten! Wat ik me alleen afvraag? Hoe is het met jou en mevrouw Arends?”

Stilte.

Mevrouw Arends…. Mevrouw Arends is de enige bewoner die door de weeks niet naar ‘therapie’ gaat en de hele dag in de huiskamer in een hoekje op dezelfde stoel zit. Stilzwijgend. Een bril met dikke glazen op haar neus en steeds één traan die over haar linkerwang biggelt.
Met haar heb en kan ik nog niks. Wat een confrontatie is dit.

“Dus dat is wel iets voor jou? Om mee aan de slag te gaan….?” aldus m’n teamleider.

Niet ‘Doen’ maar ‘Zijn’ is de opdracht.  Ik realiseer me dat ik nog heel veel te leren heb.

Jan Mimpen, leermeester en vriend

Jan Mimpen (*)

Hij is éen van de betekenisvolle mensen in het tweede deel van mijn leven, daar waar ik de hulpverlening in ga. Jan is hoofd van de A-opleiding en we krijgen les van hem in talloze onderwerpen. Omdat hij Hoofd Opleiding is valt hij regelmatig in voor docenten van wie de les door omstandigheden uitvalt. En Jan is qua kennis en kunde een allrounder.  Favoriete onderwerpen heeft hij wel en bij voorbereidings-tijdnood valt hij daar op terug.
Poep en Pies. En alles daaromheen. Steevast. We weten het, hebben er schik om, we stellen ons erop in.

In éen van de lessen vertelt hij iets over het kapsel van Bouwman, een onderdeel van de nier. Later krijgen we les van dhr.Grimbergen, de eigenlijke aangewezen docent voor dit onderdeel, nieren en het kapsel van Bouwman. Hé, het valt me op dat hij het net even anders uitlegt. Ik sla er verder geen acht op. Tot Jan een schriftelijke toets geeft waarin hij een vraag over dat kapsel van Bouwman opneemt. Tja, dan wordt het hachelijk. Ik heb twee antwoorden. Ik besluit ze allebei op te schrijven. U, (Jan) geeft aan dat….. en dhr. Grimbergen zegt daar dat…….
Een week later krijgen we de nagekeken toets terug.

Bij de twee antwoorden schrijft Jan: “Dan heeft dhr. Grimbergen gelijk.”
Ik denk dat Jan het wel op prijs stelt dat ik hem niet publiekelijk met het verschilletje confronteer, hij wordt niet graag in verlegenheid gebracht. Er ontstaat een begin van wederzijds respect en toegenegenheid. Hierbij blijft de basiscode van afstand en nabijheid gehandhaafd, het scheiden van het zakelijke en het persoonlijke.
Het is dan ook pas na de opleiding dat Jan mij benadert met de vraag of ik een actieve rol kan vervullen bij de Pax Christi Voettocht, waarin hij een leidersrol vervult. Daar ga ik op in en we beleven veel mooie momenten samen.

Ik ben aanwezig, present, waar Jan aan het eind van zijn leven komt, in een ziekenhuisbed in “onze Deo” in Haarlem. Ik ben er samen met een gemeenschappelijke vriendin en collega-verpleegkundige uit de A-periode.
Beiden is het ons ingegeven en ‘weten’ we dat we er op dat moment moeten zijn, zij uit Haarlem-Zuid, ik uit Nijkerk. Het is half tien in de avond.
Jan is niet bij kennis, is diep weggezakt. Opeens komt hij halfzittend overeind, kijkt ons met grote ogen aan, we zien dat hij ons allebei herkent, gaat vervolgens achterover in de kussens en blaast zijn laatste adem uit.

We vieren zijn leven op de dag dat hij wordt gecremeerd. Met hem mee verbrandt ook wat rode aarde van de Negev-woestijn uit Israël, dat ik die morgen in zijn kist doe. Ik zing nog  ‘You’ve got a friend’ en dan is het gebeurd.

Dank je, Jan. Je was een fijne en integere vriend.
Nu resten ons de goede herinneringen en verhalen.

Och, laat me nog even?

Ach, laat me nog even?…..

Ze is kwijt. Opeens wordt ze gemist. De plaats aan tafel van Mevrouw van Oord, meestal bij haar voornaam ‘Marietje’  genoemd, blijft leeg. We zijn van haar gewend dat ze even gaat rusten eind van de middag, om vervolgens bij het avondeten weer aan te schuiven. Vandaag niet.

De afdeling waar Marietje verblijft herbergt zo’n twintig gedesoriënteerde personen.
Het paviljoen is éen van de oudste van dit psychiatrisch ziekenhuis. Er zijn nog een aantal van dat soort grote paviljoenen op dit terrein. Zij stammen uit de tijd dat men psychiatrische patiënten op deze manier onderbrengt, in paviljoens waar vier groepen samen konden zijn. Met een schijnbare logica van twee groepen ‘çhronisch verblijf’, een groep ‘resocialisatie’ en een  groep ‘opname’.

Zo’n paviljoen is groot en vooral deze, alleen voor ‘geriatrie’, toont erg ouderwets. Er wordt de laatste jaren ook niet meer in geïnvesteerd. Investeringen gaan naar de afdelingen waar nog ‘eer te behalen valt’ uit de behandelingen.

We lopen alle kamers af en roepen haar naam. Geen reactie. Niemand heeft haar ook gezien. En al zou men haar hebben gezien, dan nog zou niemand zich haar herinneren. Niet voor niks een groep personen met desoriëntatie  natuurlijk.

Na een dik uur zoeken slaat men alarm. Het dienstdoend avondhoofd verschijnt ten tonele, maar ook die kan weinig toevoegen. Kan Marietje uit het paviljoen zijn gegaan? Dat lijkt haast een onmogelijkheid. Het zijn alle gesloten afdelingen. Maar ja, je weet het nooit 100% zeker. Dus gaat er ook een signaal naar ‘buiten’.  Sowieso naar de receptie, bij de poort, de slagboom, waar de portier dienst heeft. Deze meldt dat hij niks ongewoons heeft gezien en belooft alert te zijn.

Dan gaat de telefoon in het kantoor. Het is Martien (*)  Martien is van de Technische Dienst.
“Ja, hoi, ik zit hier bij de portier en hoor dat Marietje vermist wordt? Vertel?….”

Martien komt overal op dit terrein en is, of staat, bij iedereen bekend. Het is een man van weinig woorden en de woorden die hij uitspreekt zijn kort en krachtig, duidelijk,  gespeend van elk besef van rang of stand in de organisatie, altijd recht uit het hart. Je houdt van hem of je …nou ja. Ik hoor bij de eerste categorie.  Hij is niet makkelijk, maar door zijn ‘kort – door – de – bocht – zijn’  heel betrouwbaar.
M’n laatste ervaring met Martien was van een week daarvoor, toen er een jonge mannelijke patiënt op het dak van een ander paviljoen stond met het plan om zich naar omlaag te storten. Hij wilde dood, of liever, hij wist niet meer hoe te leven. Er stonden veel mensen buiten ernaar te kijken. De psycholoog deed erg zijn best de jongeman te bewegen van de rand van het dak weg te gaan en het zolderraam in te kruipen. Alleen kwam in het hele repertoire aan woorden  van de behandelaar geen enkel stuk tekst voor waardoor de jongeman zich aangesproken voelde. Daar kwam Martien, keek het geheel een paar seconden aan en zette toen een stem op richting de jongeman.

“Hee, jij, klootzak, wat maak jij nou? Ben je de boel een beetje op stang aan het jagen? Sodemieter een eind op, man, wees een kerel en gaat van die rand weg en naar binnen. Ik kom je halen hoor, je wacht op me en wee je gebeente als je rare fratsen uithaalt. En hier iedereen omkeren en wegwezen, je  hebt hier niks te zoeken, hier gebeurt verder niks, doei”.  Het is opvallend wat een impact dit optreden heeft.  Een groot aantal mensen haalt de schouders op en vertrekt, Martien z’n hoofd verschijnt bij het zolderraam en de jongeman slipt naar binnen.

“Kom eraan”, zegt Martien, nadat hem verteld is wat er aan de hand is. Even later gaan collega’s met Martien nogmaals door de afdeling. Niets. Door de rest van het paviljoen. Ook niets. “Zolder”, zegt Martien.  “Die is op slot als het goed is ”, zegt het Dienstdoend Hoofd. Niet dus. De zolderdeur is open. Naar boven dan.
De zolder is leeg.

“Er is een wc achterin” zegt Martien opeens. En hij loopt die kant op. De deur staat een pietsie open. Voorzichtig opent Martien de deur. En warempel. Daar zit Marietje. Haar onderbroekje op de enkels, haar rok tot haar middel opgerold, haar handen rusten op haar blote bovenbenen.
In haar linkerhand prijkt een grote bruine bolus. Met haar rechterhand streelt ze die zachtjes en liefdevol.  Ze kijkt op, ziet ons, kijkt vertederd, neigt naar de bolus als was het een pasgeboren kind en zegt:  “Ach, laat me nog even? Hij heeft me zo’n pijn gedaan….

Epiloog.

We waren allen ontroerd.
Marietje was het voorval misschien al snel vergeten. Het moment dat ik dit beschrijf ligt 50 jaar later. Om nooit te vergeten.

Maximale benadering met behoud van distantie

Maximale nabijheid met behoud van distantie.

Zo werd het ons geleerd, al in de pré-klinische periode, bij de eerste lessen over de relatie verpleegkundige-patiënt. Wél dichtbij genoeg komen zodat er een goede therapeutische relatie ontstaat, maar niet zo dichtbij komen dat je teveel persoonlijk bij de patiënt betrokken wordt en persoonlijk teveel door diens situatie geraakt kan worden.

Meteen de eerste keer dat ik Benno (*) zie en spreek ben ik verkocht.  Hij ziet eruit als een flamboyante levensgenieter. Haren tot ver over zijn schouders, grote diepbruine levenslustige, uitdagende ogen. Anno 2000-nu zou hij je doen denken aan de jonge Rafael Nadal. Een heel leven voor de boeg en daar heeft hij zin in ook.

Alleen, hij is ook soms intens moe, trekt dan wit weg, moet rusten en komt dan weer langzaam bij zijn positieven.

Benno komt net uit Amerika, is vlak na aankomst in Nederland onwel geworden, zijn been is niet in orde, en hij wordt zo van Schiphol voor nader onderzoek ter observatie op onze afdeling Chirurgie opgenomen.
Benno ligt nu bed 1, het eerste bed links.
Die luie Amerikaan, zo noemt mijnheer Slager van bed 4 hem honend. Een luie amerikaanse niksnut. ‘Moet je ‘m op zijn nest zien liggen…Hij is moe, zegt-ie!’

Benno’s hobby is muziek. Hij speelt drums en had in de States een band gehad. Nu is hij hier om met zijn moeder en zus in Holland te gaan wonen. Wel erg wennen. Een nieuwe school zoeken om te kunnen gaan studeren en nieuwe vrienden vinden, vooral om muziek te kunnen maken. We raken al gauw aan de praat en wisselen van alles uit over muziekgroepen en -stijlen. We besluiten om samen een band op te richten zodra hij uit het ziekenhuis is ontslagen. Even die ontsteking in zijn bovenbeen wegwerken. Benno noemt me steevast ‘James’ omdat hij het grappig vindt hoe hij zogenaamd op z’n wenken bediend wordt. Ik draag een keer zachtleren, lichte, italiaanse schoenen. Die wil hij ook wel. Maar eerst even dat been….

‘Ron, kun je even met me meekomen’, vraagt zuster Caroline (*), mijn sub-hoofd.

Eenmaal in kantoor zegt ze me te gaan zitten omdat ze me iets moet vertellen.
‘Ik heb de laatste tijd gevolgd hoe jij optrekt met Benno en ik zie dat jullie samen zoveel plezier hebben over muziek…’  ‘Nou en of’, beaam ik.

‘Ik moet je iets ergs vertellen Ron. Je zal schrikken en ik neem je juist ook even apart omdat je zo nauw bij Benno betrokken bent. Het is niet goed met Benno, Ron. Benno heeft kanker en is er ernstig aan toe. Hij gaat het niet redden…’

Zuster Caroline is een lieverd. Dwars door alle schrik heen, want ik ben verbijsterd, vind ik het zo ontzettend tof van haar dat ze zo attent is om mij even apart te nemen.

Benno wordt zelf nog niet geïnformeerd. We schrijven 1973…

Ik kan Benno dagenlang niet recht in de ogen kijken. Ik ben geschokt, verbijsterd en overmand door intens verdriet. Wij weten het allemaal, hij weet nog van niks. Dat was toen nou eenmaal zo in die tijd. Je mocht niks zeggen. Idioot eigenlijk. Dat vinden we anno Nu.

‘Luie Amerikaan’, zo bromt mijnheer Slager regelmatig voor zichzelf.
Ik kan de man wel wat aandoen.

Benno gaat kort daarop naar Leiden, kijken of ze daar nog iets kunnen uitrichten. Daar zoek ik hem nog zo’n twee keer op, maar het duurt al met al niet lang voor hem.

‘Er is een dame voor je bij de poli, Ron….’, zegt de afdelingssecretaresse.
‘Ben jij die broeder, die zo met Benno optrok?’ vraagt het meisje met scherpe stem. ‘Ja’, zeg ik. Het is zijn jongere zusje. ‘Nou, hij is dood hoor, dan weet je dat.’  Ze kijkt me aan alsof ik me schuldig zou moeten voelen.

Het is waarschijnlijk haar eigen pijn waarvoor ze komt.  Ze komt niet om mij te informeren. Ze komt om me te confronteren en mij pijn te doen. Ze vindt dat ik hem in de steek heb gelaten, dat ik vaker naar het Leids Universitair had moeten gaan,  waarschijnlijk.

‘Mijnheer Slager…..kent U Benno nog, die ‘luie Amerikaan?’ zoals U hem noemde’, vraagt lieve collega Jeannie aan de man op bed 4. ‘Jazeker, nou en of ik dat jong nog ken, ha!’ lacht hij schamper.

‘Hij is gisteren overleden in Leiden…..Ik vind dat u dat moet weten. Hij had kanker’, zegt Jeannie zacht maar trefzeker.

Mijnheer Slager trekt wit weg en draait beschaamd zijn hoofd weg.

Raak, denk ik, als ik de schrik en de schaamte op de man z’n gezicht zie.

Benno, ik zal hem nooit vergeten.