Ach, laat me nog even?…..
Ze is kwijt. Opeens wordt ze gemist. De plaats aan tafel van Mevrouw van Oord, meestal bij haar voornaam ‘Marietje’ genoemd, blijft leeg. We zijn van haar gewend dat ze even gaat rusten eind van de middag, om vervolgens bij het avondeten weer aan te schuiven. Vandaag niet.
De afdeling waar Marietje verblijft herbergt zo’n twintig gedesoriënteerde personen.
Het paviljoen is éen van de oudste van dit psychiatrisch ziekenhuis. Er zijn nog een aantal van dat soort grote paviljoenen op dit terrein. Zij stammen uit de tijd dat men psychiatrische patiënten op deze manier onderbrengt, in paviljoens waar vier groepen samen konden zijn. Met een schijnbare logica van twee groepen ‘çhronisch verblijf’, een groep ‘resocialisatie’ en een groep ‘opname’.
Zo’n paviljoen is groot en vooral deze, alleen voor ‘geriatrie’, toont erg ouderwets. Er wordt de laatste jaren ook niet meer in geïnvesteerd. Investeringen gaan naar de afdelingen waar nog ‘eer te behalen valt’ uit de behandelingen.
We lopen alle kamers af en roepen haar naam. Geen reactie. Niemand heeft haar ook gezien. En al zou men haar hebben gezien, dan nog zou niemand zich haar herinneren. Niet voor niks een groep personen met desoriëntatie natuurlijk.
Na een dik uur zoeken slaat men alarm. Het dienstdoend avondhoofd verschijnt ten tonele, maar ook die kan weinig toevoegen. Kan Marietje uit het paviljoen zijn gegaan? Dat lijkt haast een onmogelijkheid. Het zijn alle gesloten afdelingen. Maar ja, je weet het nooit 100% zeker. Dus gaat er ook een signaal naar ‘buiten’. Sowieso naar de receptie, bij de poort, de slagboom, waar de portier dienst heeft. Deze meldt dat hij niks ongewoons heeft gezien en belooft alert te zijn.
Dan gaat de telefoon in het kantoor. Het is Martien. Martien is van de Technische Dienst.
“Ja, hoi, ik zit hier bij van der Lans (portier) en hoor dat Marietje vermist wordt? Vertel?….”
Martien komt overal op dit terrein en is, of staat, bij iedereen bekend. Het is een man van weinig woorden en de woorden die hij uitspreekt zijn kort en krachtig, duidelijk, gespeend van elk besef van rang of stand in de organisatie, altijd recht uit het hart. Je houdt van hem of je …nou ja. Ik hoor bij de eerste categorie. Hij is niet makkelijk, maar door zijn ‘kort – door – de – bocht – zijn’ heel betrouwbaar.
M’n laatste ervaring met Martien was van een week daarvoor, toen er een jonge mannelijke patiënt op het dak van een ander paviljoen stond met het plan om zich naar omlaag te storten. Hij wilde dood, of liever, hij wist niet meer hoe te leven. Er stonden veel mensen buiten ernaar te kijken. De psycholoog deed erg zijn best de jongeman te bewegen van de rand van het dak weg te gaan en het zolderraam in te kruipen. Alleen kwam in het hele repertoire aan woorden van de behandelaar geen enkel stuk tekst voor waardoor de jongeman zich aangesproken voelde. Daar kwam Martien, keek het geheel een paar seconden aan en zette toen een stem op richting de jongeman.
“Hee, jij, klootzak, wat maak jij nou? Ben je de boel een beetje op stang aan het jagen? Sodemieter een eind op, man, wees een kerel en gaat van die rand weg en naar binnen. Ik kom je halen hoor, je wacht op me en wee je gebeente als je rare fratsen uithaalt. En hier iedereen omkeren en wegwezen, je hebt hier niks te zoeken, hier gebeurt verder niks, doei”. Het is opvallend wat een impact dit optreden heeft. Een groot aantal mensen haalt de schouders op en vertrekt, Martien z’n hoofd verschijnt bij het zolderraam en de jongeman slipt naar binnen.
“Kom eraan”, zegt Martien, nadat hem verteld is wat er aan de hand is. Even later gaan collega’s met Martien nogmaals door de afdeling. Niets. Door de rest van het paviljoen. Ook niets. “Zolder”, zegt Martien. “Die is op slot als het goed is ”, zegt het Dienstdoend Hoofd. Niet dus. De zolderdeur is open. Naar boven dan.
De zolder is leeg.
“Er is een wc achterin” zegt Martien opeens. En hij loopt die kant op. De deur staat een pietsie open. Voorzichtig opent Martien de deur. En warempel. Daar zit Marietje. Haar onderbroekje op de enkels, haar rok tot haar middel opgerold, haar handen rusten op haar blote bovenbenen.
In haar linkerhand prijkt een grote bruine bolus. Met haar rechterhand streelt ze die zachtjes en liefdevol. Ze kijkt op, ziet ons, kijkt vertederd, neigt naar de bolus als was het een pasgeboren kind en zegt: “Ach, laat me nog even? Hij heeft me zo’n pijn gedaan….
Epiloog.
We waren allen ontroerd.
Marietje was het voorval misschien al snel vergeten. Het moment dat ik dit beschrijf ligt 50 jaar later. Om nooit te vergeten.