Jan Mimpen
Hij is éen van de betekenisvolle mensen in het tweede deel van mijn leven, daar waar ik de hulpverlening in ga. Jan is hoofd van de A-opleiding en we krijgen les van hem in talloze onderwerpen. Omdat hij Hoofd Opleiding is valt hij regelmatig in voor docenten van wie de les door omstandigheden uitvalt. En Jan is qua kennis en kunde een allrounder. Favoriete onderwerpen heeft hij wel en bij voorbereidings-tijdnood valt hij daar op terug.
Poep en Pies. En alles daaromheen. Steevast. We weten het, hebben er schik om, we stellen ons erop in.
In éen van de lessen vertelt hij iets over het kapsel van Bouwman, een onderdeel van de nier. Later krijgen we les van dhr.Grimbergen, de eigenlijke aangewezen docent voor dit onderdeel, nieren en het kapsel van Bouwman. Hé, het valt me op dat hij het net even anders uitlegt. Ik sla er verder geen acht op. Tot Jan een schriftelijke toets geeft waarin hij een vraag over dat kapsel van Bouwman opneemt. Tja, dan wordt het hachelijk. Ik heb twee antwoorden. Ik besluit ze allebei op te schrijven. U, (Jan) geeft aan dat….. en dhr. Grimbergen zegt daar dat…….
Een week later krijgen we de nagekeken toets terug.
Bij de twee antwoorden schrijft Jan: “Dan heeft dhr. Grimbergen gelijk.”
Ik denk dat Jan het wel op prijs stelt dat ik hem niet publiekelijk met het verschilletje confronteer, hij wordt niet graag in verlegenheid gebracht. Er ontstaat een begin van wederzijds respect en toegenegenheid. Hierbij blijft de basiscode van afstand en nabijheid gehandhaafd, het scheiden van het zakelijke en het persoonlijke.
Het is dan ook pas na de opleiding dat Jan mij benadert met de vraag of ik een actieve rol kan vervullen bij de Pax Christi Voettocht, waarin hij een leidersrol vervult. Daar ga ik op in en we beleven veel mooie momenten samen.
Ik ben aanwezig, present, waar Jan aan het eind van zijn leven komt, in een ziekenhuisbed in “onze Deo” in Haarlem. Ik ben er samen met een gemeenschappelijke vriendin en collega-verpleegkundige uit de A-periode.
Beiden is het ons ingegeven en ‘weten’ we dat we er op dat moment moeten zijn, zij uit Haarlem-Zuid, ik uit Nijkerk. Het is half tien in de avond.
Jan is niet bij kennis, is diep weggezakt. Opeens komt hij halfzittend overeind, kijkt ons met grote ogen aan, we zien dat hij ons allebei herkent, gaat vervolgens achterover in de kussens en blaast zijn laatste adem uit.
We vieren zijn leven op de dag dat hij wordt gecremeerd. Met hem mee verbrandt ook wat rode aarde van de Negev-woestijn uit Israël, dat ik die morgen in zijn kist doe. Ik zing nog ‘You’ve got a friend’ en dan is het gebeurd.
Dank je, Jan. Je was een fijne en integere vriend.
Nu resten ons de goede herinneringen en verhalen.