Examen Bloopers

Examen-bloopers

Oké, het is een beetje tricky om iets te vertellen vanuit examens waarbij erg gelachen is. Je wil mensen niet belachelijk maken. Ik herinner me minder situaties dan dat er voorgevallen zijn, maar deze onthield ik.

We beginnen met het vak psychologie. Docent Boudewijn heeft er zin in en heeft zijn vragen klaar. Ik vervul de rol van huis-gecommitteerde.

De student Johan, die eerst over de behoeften-piramide van Maslow is doorgezaagd,  krijgt de volgende vraag:
“Vertel me eens, wie was dan Pavlov”.

Voor diegenen onder de lezers van deze verhalen die Pavlov niet kennen: Pavlov was een russische fysioloog, die bekend werd door zijn test met honden die eerst kwijlen bij de combinatie van het krijgen van eten en een belletje dat dan rinkelt, en later alleen al bij het horen van dat belletje. De Pavlov-reactie, klassieke conditionering.

Johan krijgt de vraag ‘wie was Pavlov’, en zwijgt stil. ‘Weet ik niet”, zegt hij even later.
“Kom kom, gaat er geen belletje rinkelen als ik de naam Pavlov noem.” zegt de docent psychologie.

Nee, er ging geen belletje rinkelen.

 

Van een andere orde is het verhaal van Lucy, tweede jaars leerling, eindexamen somatiek.

Lucy komt het lokaal binnen waar de examens anatomie/pathologie afgenomen worden. Ik vervul wederom de rol van huis-gecommitteerde.  Lucy is zichtbaar nerveus. De eerste vragen beantwoordt ze aarzelend, waarna de docent anatomie een plaquette pakt, een dwarsdoorsnede van een orgaan, en deze voor haar op tafel legt.

“Wat zien we hier? ”, vraagt hij.
Voor Lucy op tafel prijkt de dwarsdoorsnede van een mannelijk geslachtsorgaan. Van de docent uit altijd wel een beetje een gewaagde zet.

Lucy kijkt naar de dwarsdoorsnede en vertrekt geen spier. Zij pakt het ornament vast, draait het een paar keer om z’n as, bekijkt het vanuit verschillende invalshoeken.

Met enige beslistheid zegt zij: ‘Een oor !’

De docent verschiet van kleur, houdt een opkomende schaterlach binnenboord en vervolgt: “Oké, vertel maar wat je zo ziet….”

Lucy wijst op de testikel en zegt: ‘Het binnenoor……’ Ze wijst op het verloop van de pisbuis en zegt: ‘de buis van Eustachius…..’. en  valt stil.

“Ja, we laten ons door jou geen oor aannaaien natuurlijk….”  zegt de docent en helpt haar uit de droom.
Het examen mondt uit in een onvoldoende, mede doordat de meeste andere vragen niet goed of niet werden beantwoord. Twee drieën, waarmee gezakt voor het tweede leerjaar.

In de pauze gaat het nieuws al gauw rond en de grappenmachine komt al snel op gang.

“Mag ik mijn oor bij jou te luisteren leggen? ”, vraagt iemand steels. “Ik heb daar wel oren naar”, zegt hij nog.
“Moet morgen mijn oren laten uitspuiten”, reageert een ander.
“En ik zal jullie even de oren wassen”, probeert nog iemand de vorige spreker te overtreffen.

Arme Lucy, het heeft haar wel een poosje achtervolgt, tot de lol er bij iedereen af was. Zelf kon ze er op een gegeven moment ook wel om schateren en bedacht ze zo haar eigen variaties op het thema.

Poortwachter zijn

Poortwachter zijn

Ik heb gedurende mijn loopbaan als docent verpleegkunde talloze examens afgenomen. Ik herinner me veel fijne momenten. Momenten waarop je met elkaar kunt vaststellen en vieren dat er op een goede manier een eindstreep is behaald. Enkele momenten blijven me bij, sommige zelfs met naam en toenaam. Daar was iets bijzonders mee.

Eindexamenkandidaten voor de opleiding tot verpleegkundige-B krijgen als laatste onderdeel een eindgesprek, waarin zij aangeven wat er volgens hen met de in de casus geschetste patiënt aan de hand is en wat de beste benadering zal zijn.

Bij het gesprek zijn aanwezig: een verpleegkundige uit de praktijk, een vakdocent en een rijks-gecommitteerde. Deze laatste heeft tot taak om te controleren of de examens aan de landelijke eisen voldoen. De docent verpleegkunde is voorzitter.
Tijdens het half uur voorbereiding op het gesprek ontwerpt de eindexamenkandidaat een behandel/verpleegplan. Tijdens het eindgesprek schetst hij dat plan voor de eindexamencommissie en wordt daarop bevraagd. Na 45 minuten beoordeelt de commissie de kwaliteit van de inbreng van de kandidaat en scoort voldoende of onvoldoende.

Ziekte van Huntington
De casus van dit eindgesprek gaat over een mijnheer die lijdt aan de ziekte Chorea van Huntington. Een ziekte waarbij hij, o.a. door spasmen in de armen, niet meer in staat is om met bestek zijn eten naar binnen te werken. Hij gebruikt daarvoor zijn vingers. Dat leidt tot stevige opmerkingen bij medepatiënten, waarvan steeds wordt gevraagd om netjes met vork en mes te eten.  Eén van de vragen bij de casus is dat de eindexamenkandidaat voorstellen doet, hoe hij vindt dat er met mijnheer omgegaan moet worden.

Op een bepaald moment stelt de leerling-verpleegkundige, dat wat hem betreft de patiënt moet worden onderworpen aan een gedragstherapeutische interventie, met behulp van een tokon-economy-systeem, om hem te dwingen weer met mes en vork te eten.
Ik schrik me een hoedje. Pas later, als ik erop reflecteer weet ik: dit was voorspelbaar bij deze leerling. Ik had het eerder bij hem meegemaakt. Zijn idee komt er namelijk – vergelijkenderwijs- op neer dat je de suggestie doet om bij iemand, die een halfzijdige verlamming heeft, te eisen dat hij weer op twee benen leert staan. Een onmogelijkheid.
Het verbaast me achteraf dus niet. Want eerder al was er een situatie in de praktijk waarbij de leerling een grove miskleun had gemaakt. In dit geval bij de verpleging van een manisch psychotische vrouw met seksuele ontremming. In haar ontremming wilde zij weer eens voelen hoe een mannelijk geslachtsdeel voelde en de leerling had haar haar hand in zijn broek doen steken. Meer dan alleen een blunder. Grensoverschijdend en super-dom. Mevrouw had na haar psychose nog haar heldere herinnering hierover en heeft zich te pletter geschaamd. Tot een klacht kwam het toen niet.
In die situatie werd de leerling de hand boven het hoofd gehouden en hij werd gespaard.

De misser die ikzelf bij dit eindgesprek bega is dat ik zó geraakt word door zoveel dommigheid, er verbouwereerd door ben, boos word en bij mijn beoordeling van het gesprek aangeef dat ik vind dat de kandidaat niet mag slagen als hij dit soort indrukwekkende blunders maakt.

Ik vermoed dat ik de commissie daarvan had kunnen overtuigen als ik rustig was gebleven. In dit geval ging dat mis. Mij werd verweten dat ik persoonlijk geraakt was en daarmee niet meer objectief kon zijn naar de kandidaat, aldus de praktijkverpleegkundige. Dat ik zelf twijfels had over de objectiviteit van de praktijkverpleegkundige (men kwam al eerder mee als collega en advocaat van de kandidaat in deze gesprekken) slikte ik in. Dat was ook nooit hard te maken.
Met de opmerking van de vakdocent dat de kandidaat vast geschikte collega’s zou hebben mocht hij in de praktijk nog wat te leren hebben, kreeg deze kandidaat – onder het gezag van de rijksgecommitteerde- het voordeel van de twijfel.
Het deed mij pijn, maar formeel had men wellicht gelijk. En het is niet de eerste keer dat er personen bij en over de eindstreep komen, terwijl er gegronde redenen zijn tot grote zorg over hun kwaliteiten. Zoiets komt vaker gedurende mijn werkzame leven voorbij. Als latere opleider en supervisor heb ik daar een betere vorm in gevonden.
Men leert altijd, dus ook ik.

Later maak ik veel werk van het fenomeen ‘Cesuur’, de meetlat waarlangs je een student en zijn/haar prestaties legt om de prestaties met elkaar te kunnen vaststellen. Zo’n ‘cesuur’ moet je als opleider helder krijgen en maken. De toetssteen. Die ook helderheid moet geven aan de studenten over wat er verwacht wordt en waar je op beoordeeld wordt.

En met elkaar op scherp zetten dat je Poortwachter bent. Als opleider, als collega/werkbegeleider en mede-toetser. Je bent er verantwoordelijk voor dat iemand op eigen kracht het veld ingaat, tot de beroepsgroep wordt toegelaten, op mede jouw verantwoording.  Dan is wat mij betreft ook niet steeds de toets-prestatie doorslaggevend. Ooit liet ik een eindgesprek stilleggen en vroegtijdig afsluiten toen een leerling geen woorden had. In de stilte was zijn aanwezigheid als een weldaad. Naar inschatting van de commissie een goede verpleegkundige, met name voor de patiënt die niet uit de voeten kan met het vele verbale geweld zoals je dat vaak in de praktijk wel tegenkomt. De man ‘ voelde en wist’  zichtbaar van binnen alles. Wel arbitrair. Klopt. Ik neem van harte de verantwoordelijkheid 😉

 

Het schilderij van mijn leven

Bij het schilderij  “ De Cirkel Rond “  van Ron Overtoom.
24 augustus 2020

Met veel plezier heb ik aan dit schilderij gewerkt. Het was een intensief proces, dat veel  aan mijzelf raakte. Voor het eerst een schilderij, waarbij ik voelde dat het echt over mijzelf ging. Dat was ook de opdracht en dank dus daarvoor.

In het midden een labyrint. Het labyrint heeft in mijn leven veel te betekenen. Voor mij staat het symbolisch gelijk aan de spirituele levensweg die ik bewandel. In een labyrint kun je niet verdwalen. Het is een doorgaande weg naar het midden, je persoonlijke midden, je kern, je persoonlijke integriteit, je zuivere Ik. Bij de bochten kun je besluiten iets af te leggen, achter je te laten. Als je op dit levenspad iets niet aangaat en laat liggen, dan zul je dat verderop opnieuw aantreffen en net zo vaak als je dat nodig hebt, omdat je deze les nu eenmaal te leren hebt.

Ik heb het labyrint ook meermaals in het echt gelopen. Samen met Astrid, mijn lief, heb ik het meerdere keren uitgelegd op een vloer van een groot gebouw of buiten in het zand, op gras.  En dan loop je dat, al of niet met een eigen vraag, en ergens onderweg ontvang je vaak een onverwacht antwoord.

Het labyrint in het schilderij is een zeven-rings. Als je het met je vinger volgt zul je zien dat je in het midden uitkomt.
Meer links naar boven schilder ik de kathedraal van Chartres (Fr). Astrid en ik zijn daar geweest. Een bijzondere ervaring. ( In een weekend een orgelconcert, een huwelijk, het labyrint-lopen en een priesterwijding.) Daar ligt een beroemd labyrint in de vloer van plm. 13 meter diameter, een 11-rings, totale loop 261 meter!

Links van de kathedraal schilder ik een huis. Symbool voor zowel mijn  ouderlijk huis, als voor het huis van nu, waar ik mij thuis voel.

De sparrenbomen staan voor Astrid en haar twee kinderen.  Astrid heet Sparreboom. Zij neemt in mijn leven een krachtige en standvastige plaats in.
Zij is de grote boom. Naast haar staan haar kinderen, Kirsten en Ingmar.

 

Meer naar onder staan wat grafzerken in het gras, voor mijn overledenen.
De man die zit te vissen is mijn overleden en betekenisvolle vader. Zijn kleur is onopvallend nu, maar hij was aanwezig en doet er nog steeds toe.
Hij mag genieten van zijn plek aan het water, aan het eind van de stroom, afgewend van de hoofdthema’s, heeft nu een bijrol en dat is goed zo.

 

 

De drie clowntjes stellen mijn drie kinderen voor. Van links naar rechts: Daan, Thijs en Wouter.
Toen ik van hun moeder scheidde waren zij nog klein en jong. Zij verhuisden naar heel ver weg. Om hen te symboliseren kocht ik de dag van hun vertrek deze drie clowntjes en wist voor mezelf meteen dat de kleurrijke Daan voorstelde, de krachtig rode Thijs en de diepe blauwe Wouter. ‘ It’s a small world after all’, klinken ze alle drie als je ze opwindt. Samen weten ze dat ze ‘the Band of Brothers’ hebben. Ze zullen elkaar nooit laten vallen, en helpen/steunen elkaar waar nodig.  Zij zijn door de geschilderde zes gitaarsnaren verbonden aan elkaar, aan mij en aan muziek. De snaren lopen de verte in, symbool voor de verte waar hun leven zich afspeelt en zij hun eigen weg zullen gaan.

De vrouw rechts staat symbool voor het oer- moederlijke, voor de oorsprong en voortgang van leven. Zij voegt vruchtbaarheid en leven, vruchtwater, toe aan de maalstroom. Deze stroom loopt langs de entree van het labyrint, daar begin je je eigen weg. Je kunt opstappen bij de opstapplaats.

Rechtsboven is de aarde geschilderd. Als variant van de Earthrise van de Apollo-maanfoto, is dit de Earthrise boven de aarde. De aarde die opkomt boven de horizon van de aarde. Ik gun de aarde een goed herstel, en –  indien nodig – als een mensloze wereld. Mensen zijn niet in staat gebleken om de aarde op een goede manier te bewonen, goede rentmeesters te zijn. We tonen ons hebberig, het is nooit genoeg. We bevolken de wereld, zijn daarin mateloos en grenzeloos, wonen haar uit, putten haar uit. We vernietigen haar en alle pracht die er op te vinden is.  Ik ben zelf geen haar beter. Doe mijn best (?) in het klein.

Mooi in het schilderij vind ik de weerschijn van de aarde in het lijf van de vrouw.
De meer-lagigheid, de doortekening van de ondergrond.
De kleur van Chartres’ koperen dak die terugkomt in het centrum van het labyrint.
De veelkleurigheid van de kinderen die terugkomt in het bloemperkje links onder. Zij domineren met hun kleur, staan nagenoeg in het centrum en zo is het goed.

Ik heb er zo’n dertig uur aan gewerkt. De tijd die ik er voor zat om ernaar te kijken, en de volgende stap ‘te laten binnenkomen’ meegeteld. Want er was geen vooropgezet plan, alleen het labyrint was duidelijk. De rest ontstond vanwege de doortekening van de ondergrond-lagen en wat zich daarbij aandiende, of door wat er bij me opkwam als ik ervoor zat te mijmeren.

Nog niet eerder heb ik het maakwerk van een schilderij zo intens beleefd en als een creatief continuüm ervaren. In alle rust stap na stap. Doen wat klopt. En alles klopte.
Voor mij werkte dit als een fantastische opdracht. Dank, Bart van der Bom.

“De Cirkel Rond”

MDF met doek bespannen
Acryl  61 x 122 cm
o.a. frottagetechniek
naar de stijl van Marc Chagall

Ron Overtoom
Wim Reinderslaan 8
8531GD Lemmer
06 5116863

www.ron-art.nl

 

 

 

 

 

Daarom dus

Daarom dus.

 

Het is net Kerst geweest en ik zit met mijn vriendin aan een kerstbrunch bij mijn ex en mijn drie zoons. In het huis van mijn ex. Ik kom mijn jongens ophalen om een paar dagen door te gaan brengen in mijn huis. Dat is het huis in Gelderland waar we vroeger met z’n allen woonden en waar ik nu alleen woon sinds de scheiding, ongeveer 11 jaar geleden. Een detail in het geheel, maar het is 28 augustus en dat is de datum van onze trouwdag in 1988. Op zich is het een mooi gebaar van mijn ex dat we hier samen aan tafel zitten. We hadden al geen vechtscheiding, maar dat ik hier met mijn vriendin ben in dit pand is toch heel wat. Mijn ex heeft al langer een nieuwe vriend en dat zou kunnen schelen in de aanvankelijke scherpte. Alles wordt wat zachter lijkt het.
Het is een sfeer waarbij ik wat in de war kan raken. Sowieso heb ik nooit van mijn kinderen willen scheiden, Ik heb ze vaak gemist en ik moet gewoon maar eens zeggen dat ik veel in stilte heb geleden en dat soms nog doe. Dat het minder wordt heeft te maken met het gegeven dat ze de leeftijd hebben bereikt dat ik ze sowieso minder om me heen zou hebben omdat ze nu eenmaal de uitvliegleeftijd hebben bereikt, bijna 23 en 25 jaar. Ook al vliegen ze niet uit, ze zijn aardig honkvast bij hun moeder. Daar zullen ook redenen van studerend-zijn een rol in meespelen. Maar toch, ik merk dat het me raakt om zo aanwezig te zijn in hun sfeer, hun gewone alledaagse bedoening. Hun moeder, mijn ex, is ook niet de onaantrekkelijkste vrouw en ze heeft vele goede en lieve kanten. Toch ben ik daar met mijn vriendin, tegen wie ik in alle rust kan zeggen: ik hou van jou, en te weten dat dat waarheid is. Maar, was het vroeger anders gelopen had ik hier dan niet kunnen zitten als echtgenoot en vader, in deze huiselijke en gezellige sfeer? Dan had ik mee kunnen ‘geiten’ met de jongens en we hadden een hoop plezier kunnen hebben.
Het gesprek aan tafel verloopt eigenlijk heel ontspannen. Zelf heb ik daar de regie niet in, die is aan mijn ex. Ze stelt belangstellende vragen, luistert en geeft prettige reacties. Dat ik van binnen weet dat mijn vriendin waarschijnlijk de pot op kan is niet te merken aan de oppervlakte van de conversatie.

‘Je had een uitgebreide kerstkaart, Ron. Heb je er veel laten drukken?’  zei mijn ex. Ik antwoordde dat ik ze uitgeprint had en er een stuk of dertig had verstuurd.

‘Je had veel tekst. Een stuk links, een stuk rechts en daar onderaan weer over iets anders, ik weet niet wat je er allemaal mee wilde zeggen, maar duidelijk vond ik het niet.’

De opmerking is gemaakt en is natuurlijk volkomen legitiem. De toon waarop de opmerking wordt gemaakt drukt uit dat het een constatering is van haar bevinding. In mijn beleving ervaar ik dat de ondertiteling eigenlijk luidt: je wou weer eens veel dingen tegelijk, er zat geen lijn in, en wat je ook wilde uitdrukken, het komt niet uit de verf. Je komt niet over. En ook: ‘dat ken ik van je en ik kan er niks mee’.  Geen verdere vraag om een toelichting of verduidelijking, geen interesse in mijn beweegredenen en de inhoud.

Een vriend mailt mij later:

Ron. Bedankt voor de nieuwjaarskaart, Ik heb hem wel een paar keer gelezen, en ik was en ben nog steeds onder de indruk wat jij daar allemaal in schrijft. Het luisteren naar mensen is tegenwoordig heel slecht, en als je inderdaad wat wil inbrengen dan moet je dat overduidelijk doen, anders komt het niet over, en had je beter je mond kunnen houden. Nu, jouw woorden hebben zeker  doel getroffen, op de preekstoel zou het zo maar gekund hebben! Het heeft mij zeker goed gedaan, het kwam heel warm over, en dat kom je niet elke dag tegen tegenwoordig. 

Ik mail hem terug:

Dank voor je reactie. De kaart valt niet overal even goed. Vaak bij mensen die niet die moeite nemen om hem aandachtiger te lezen. Ze willen een vlotte wens en weer verder met de dingen van de dag. Jammer. 

Zelf kan je er ook wat van!  Je nam al die jaren al de moeite om een versje te schrijven op het afgelopen jaar en een hoopvolle blik op het nieuwe. Ook jouw kaart wordt dan weggelegd tot de koffie en vervolgens aandachtig gelezen. Zo werkt dat. Dat is me dierbaar, zulke momenten en de wederzijdse aandacht. Fijn dat die er tussen ons is, dank ook.

 

Dat ‘geen interesse in mijn beweegredenen’ is niet helemaal een juiste typering. Het zou ook glashard ontkend worden, omdat mijn ex zelf ervaart dat het niet gaat om gebrek aan interesse. Het is voor haar zoals zij zegt: zij kan er niets mee. En als bij dingen die zij tegenkomt waar je niets mee hoeft te kunnen omdat de dingen zijn wat ze zijn, namelijk gewoon de moeite waard om eens aan te proeven, en tegelijkertijd een diepere laag in ons innerlijk weten raken of vertegenwoordigen  om te ervaren hoe het voor jou is, en dan door te slikken als welkome voeding of uit te spugen als het je niet past.

 

In de steek laten.

 

 

2018: aangetroffen op mijn pc op zoek naar materiaal voor mijn boek. Zou dit niet zo gebruiken, maar gooi het ook niet weg. Bewerken dus.

Brief aan Judith die haar demente moeder moet wegbrengen

Een brief die ik stuurde aan de dochter van een vrouw met dementie, die uit huis geplaatst moest worden en waarbij de dochter zich voor dilemma’s geplaatst weet.

 

Beste Judith,

(Een brief op verzoek aan een dochter die haar moeder zal wegbrengen naar een tehuis)

Wat je schetst is een van de moeilijkste dilemma’s in je leven: een besluit nemen dat bepalend is voor het verloop van andermans leven.

Ik kan je geen direct advies of iets dergelijks geven, wel een beschouwing, zoals ik zelf tegen dit soort dilemma’s aankijk.

Naar mijn idee is de beste basis van waaruit je een beslissing over iemand anders’ leven gaat nemen dat je dat doet vanuit een besef van een volledige verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid welke je ook zult moeten dragen. Nog beter: een verantwoorde-lijkheid die je ook wil dragen, die je niet zomaar aan een ander wilt overlaten, hoe verleidelijk ook vanwege je eigen pijn.

Dan helpt het je dat je bent doordrongen van het besef van waaruit je dat doet.

Naar mijn idee is Liefde het enige echt geoorloofde motief. Liefde kent vele verschijningsvormen. De vorm die zich hier aandient is misschien: de uit Liefde voortvloeiende zorg voor iemand die zelf niet meer over zijn of haar eigen leven kan beslissen.

Het leven van ieder mens beweegt zich tussen frustratie en acceptatie.
Het is frustrerend dat het leven van je moeder loopt zoals het loopt, dat ze ziek is, dat ze niet meer volledig voor zichzelf kan zorgen, vanuit haar eigen wens te kennen heeft gegeven niet haar huis uit te willen.                                                                                    Aan de kant van frustratie zit alles wat we ons wensen, hoe het leven zou moeten zijn, allerlei voorwaarden waaronder wij ons beter en gelukkiger zouden voelen, over het leven, over en met de ander, over en met onszelf, ons eigen zelfbeeld, als maar aan dat of dat zou worden voldaan….als de ander maar….

Aan de kant van acceptatie ligt verzoening met de realiteit, de werkelijkheid van het bestaan. Het leven leven zoals het stroomt, zoals het is. Ons verstaan met het feit dat alles vergankelijk is,  terwijl wij als mensen graag streven naar behoud , vooral van dingen die ons welkom zijn. Dat is niet de werkelijkheid. Alles verandert voortdurend. Onze behoefte om ons vast te willen houden aan de vorm, aan onze gedachten over hoe het zou moeten zijn, is de voornaamste reden van onze pijn. (Onder deze laag van leven ligt nog een diepere, een andere bewustzijnslaag, een meer universele bron van leven en levenswijsheid. Daarvoor is een innerlijk zoeken en vinden nodig en stilte temidden van alle herrie buiten en in jezelf.)

Ieder mens dat oud wordt zou mogen beseffen dat er een moment komt dat hij niet zonder zorg van anderen kan. Is het een kwestie van persoonlijke rijping om dan bij voorbaat het proces van acceptatie door te maken dat je tegen die tijd niet teveel van anderen mag verlangen om je leven in stand te houden zoals je dat het liefst zou willen?

Niet om moeders te vergelijken, maar met mijn moeder hebben we een gezellige bijeenkomst gehouden in ons ouderlijk huis en, in onze aanwezigheid, is zij in de auto gestapt op weg naar haar tehuis. En ze is daar, naast gezellige momenten, verduveld eenzaam of in ieder geval erg alleen geweest. Maar ze wist het: het hoort bij het leven.

Aan de kant van acceptatie ligt ook de betekenis van vergeving. Mijn moeder heeft er nooit enige twijfel over laten bestaan dat ze van ons hield zoals wij waren en ook nooit over het feit dat ze het ons vergaf dat we niet haar leven konden leven.

Desondanks is het proces van vergeving van jezelf een emotioneel proces dat zich in jezelf moet voltrekken. Dat is ook de reden dat je een dergelijk besluit, over het al of niet door laten gaan van de verplaatsing van je moeder, niet door anderen mag laten nemen. Het zou je de valse ruimte geven om achteraf de ‘schuld’ bij anderen te leggen. Waarbij je het risico loopt de ervaring te missen dat er geen sprake is van ‘schuld’. Je bent er hooguit mee gestopt om je te verzetten tegen de werkelijkheid en de normale loop van de dingen.

Gemoedsrust is gelegen in het besef dat je gedaan hebt wat je wilde en kon doen. Dat je ervoor zorgt, en ook dat is verantwoordelijkheid, dat je eigen leven niet te ver van de rit gaat door het leven en het niet te voorkomen en voorspelbare lot van een ander.       Gemoedsrust is gelegen in het gegeven dat je namens de ander tot de beste optie gekomen bent. Een plek uitzoeken waar iemand zich zo maximaal mogelijk op zijn gemak zal kunnen voelen.

De plek: wat je beschrijft klinkt goed. Wat van belang is, naar mijn mening, is dat zij daar mag doen wat zij wil of nodig heeft.  Enige aandrang van diverse kanten om haar tot dingen te stimuleren, prima. Maar geen verplichte nummers. Niet op de huiskamer hoeven zijn, op haar eigen kamer mogen zijn als dat voor haar beter voelt. Als zij al geen sociaal mens was dan wordt zij dat misschien ook niet meer, hoewel je dat met dementie nooit weet hoe iemand zich nog ontpopt. Dat soort dingen kun je van tevoren afstemmen en vastleggen.

Heimelijkheid? Waarom stiekem? Ik kan niet ontkennen dat een veel voorkomend en verschrikkelijk gevoel bij opgenomen dementerenden is:  het gevoel van verraad.            Ik kan het niet voor jou of jullie zeggen, maar zelf zou ik er nooit voor kiezen. Echt helemaal nooit. Verraad is het ergste wat je kan overkomen. En ook het ergste waar de ander je van kan beschuldigen, laat staan met een kern van waarheid erin. Maar misschien heb ik wat te leren en kan je me duidelijk maken wat een reden kan zijn om zo te moeten handelen?

Zorg dat je gewapend bent en bestand bent tegen een mogelijke reactie van aantijgingen en fel verwijt. Verwacht geen volledige berusting en overgave. Vechten en verzet is een teken dat er nog echt leven in iemand zit. Je hebt misschien wel vaker iemand uit liefde, verantwoordelijkheid en vanwege de loop der dingen ergens heen moeten brengen?

Ik weet niet wat dit bijdraagt. Overeind blijft dat je het zelf moet doen. Zal ik het eens anders zeggen: dat je het zelf mag doen. Zo te merken heeft je moeder je opgevoed tot een volwassen, zorgvol, zorgvuldig en gewetensvol mens. Een mens dat in staat is tot het maken van lastige keuzes en het nemen van noodzakelijke beslissingen. Klopt dat? Dan kun je ook naar eer en geweten handelen, ook al lijkt het in eerste instantie niet te stroken met wat je opvoeder je bijgebracht heeft? Van belang blijft dat je een beslissing neemt binnen een bepaald licht. Ik peil zoiets af aan een ervaring van liefde en acceptatie van het verloop van het leven. Voor jou kan ik dat niet invullen. Maar zoek je eigen toets, die heb je.

Sterkte met alles. Ik hoor graag van je terug.

Hartelijke groet, Ron Overtoom.

Afscheid van Sancta Maria door dhr. Knop, Hoofd Opleiding. Ron, een casus.

psychiatrisch ziekenhuis sancta maria

Casus ten behoeve van het afscheid van de heer Ron Overtoom.

Personalia:

Naam Overtoom
Voornaam Ron
Geb. datum:  15-3-1950
Geb. plaats Haarlem
Woonplaats Noordwijk
Levensbeschouwing: Van huis uit keurig opgevoed; dus maakt niets uit.

Burgelijke stand: Nog niet bij wet geregeld, maar verstaan wordt
twee-verdieners in een duurzame relatie.

Uiterlijk

De heer Overtoom is een schriele magere lat. Zijn motoriek is overdreven ferm.
Soms kan hij peinzend voor zich uitstaren. Datm is vooral in een perode, waarin dan ook niets uit zijn handen komt. Over het algemeen kleedt hij zich wat jongensachtig: te gekke broek, te gekke trui. Een enkele keer verschijnt hij ineens in een zwart pak. De verpleging weet, dandat het opletten geblazen is. Zelfzorg is goed tot overdreven. Na een simpel karweitje moet hij ineens douchen. Hij maakt zich zorgen over
zijn gehoor, maar tot nu toe, hoort hij alles, zelfs dingen, die hij niet behoeft te horen.

Voorgeschiedenis
De heer Overtoom komt uit een goed milieu. Erg veel is er niet
bekend over, maar soms geeft hij aan, dat hij een avond bij de
familie doorbrengt. Na een wat slordige periode op de pedagogische
academie, voelde hij zich geroepen verpleegkundige te worden.
In Johannes de Deo, behaalde hij zonder veel moeite het A-diploma
en omdat hij zeer begaan was met de mens, meldde hij zich op
1 maart·1975 voor de B-verpleging aan. Op 4 maart 1977 werd hij
gediplomeerd. Op 5 maart in dat jaar werd hij aangesteld als
praktijkbegeleider. Naar zijn zeggen, was het dat niet en 1
september 1978 kwam hij te werk als docent verpleegkunde in de
opleiding. Op 15 juni 1979 werd hij gediplomeerd docent. Zijn
ster schoot omhoog en hij werd zelfs tweede-graads bevoegd.

Huidige Situatie

De heer Overtoom geeft momenteel aan het hier wel woor gezien te
hebben. In ons ziekenhuis staat hij bekend als een creatief manneke.
Soms zeer impulsief en kan ter plekke een verklaring van de directie
eisen. Zijn werk doet hij tot volle tevredenheid; wel moet gezegd
worden, dat hij nog wel eens verzuipt in de verslagen.

Hij is bijzonder collegiaal- laat nooit iemand in de steek – vindt echte vriendschap belangrijk.
Heilig zal hij nooit worden, maar het was zalig om met hem te mogen werken.

Prognose:

Het team bestaande uit: Tinie van den Berg, Frida van de
Linden, Zr. Odulpha, Ruud Veltman, Sonja van Breukelen, Frans Dixon,
Riet van der Ploeg, Herwig Ferket en Ferrie Knop, voor deze gelegenheid
versterkt met agogische en methodische hulptroepen, Lies König
en Ingeborg de Jong: is van mening, dat het een goede zaak is, dat
de heer Overtoom zijn vleugels uitslaat en gaat over tot stemming
van dit plan.

Noordwijk, 21 december 1984.

Innerlijke Snaren

Innerlijke Snaren

Daar waar woorden geen betekenis meer hebben
waar begrip op denknivo verdwijnt
waar begrijpen en begrepen worden
wordt bepaald door voelen en ervaren en
vooral het zoete strelen van mijn innerlijke snaren
uitmaakt of ik mij geliefd weet en herkend
hunker ik naar klanken die binnen in mij
maar ook verder dan mijzelf reiken
en niet alleen mijn hart en ziel
maar dat van alle mensen kent.

 Ron Overtoom.


Tekst uit een folder van mijn training m.b.t. het gebruik van
muziekinstrumenten bij het maken van contact met personen met dementie.

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord Persoonlijke Levensgeschiedenis

Voorwoord Persoonlijke Levensgeschiedenis

Voor ieder aan wie ik het wil laten lezen en voor ieder die het lezen wil.

Het speelt al jaren dat ik de behoefte heb om verhalen van mijn leven op te tekenen. Ik ben al diverse keren begonnen in Word op de laptop. Nu, door het gemak van het plaatsen van de verhalen op mijn site via WordPress, is het me allemaal veel gemakkelijker. Ik weet wel dat écht schrijven, met pen op papier, nog dichter bij je Zelf komt dan tikken op toetsen. De keus is toch gemaakt. Het werkt sneller en ik kan het allemaal eenvoudiger aan anderen, die ik uitkies, laten lezen.

Met dank aan alle personen die in mijn leven een rol van betekenis hebben gespeeld en daarmee hun bijdrage hebben gehad aan mijn verhaal en aan de verhalen die ik kan doorvertellen. Dat zijn er vele. Er zijn een aantal sleutelfiguren, die echt zorgden voor een een stroomversnelling, of juist voor een dam in de stroom, om me ergens voor te willen behoeden.  Wegwijzers ook, waardoor ik een route ben gegaan omdat die ander potentie in die richting in mij zag.

Ik begin met verhalen uit ons vroegere gezin Overtoom in de Marsstraat 127 te Haarlem. Het zijn situaties en gebeurtenissen die mij hebben gevormd.
Verhalen over mijn jeugd, van bij ons thuis, hoe sommige situaties voor mij verliepen en welke indruk ze op mij maakten. Ik heb, naar wat ik achteraf vast kan stellen, vaak eenzame momenten gekend.
Nu ik alles zo beschrijf is het een ontmoeting met mezelf als jochie en geef ik aan mezelf terug hoe ik het zo in mijn leven ervaren en gedaan heb. Door het op te schrijven, en dus woorden te geven, geef ik mijn beleving en ervaring daarmee ook een soort van erkenning.
Het is geen klaagzang, tenminste, het is niet zo bedoeld.
Het heeft mij gevormd, dat is het.

Het is nu 2026. Ik voel me een gelukkig mens. Zo ervaar ik mezelf al langer. Met Astrid, mijn lieve vriendin/vrouw als levensgezel, drie lieve zoons Daan, Thijs en Wouter en hun aanhang Gaica en Anna, de lieve kinderen van Astrid: Ingmar en Kirsten en iedereen daar omheen: Lingzhy, Tristan en Callum, en de vrouw van Kirsten, Minke.
En ik weet me rijk met een aantal creatieve hobby’s, zoals muziek maken, beelden boetseren en vooral schilderen. Ik ben in 2017 verhuisd naar een knus huis in Lemmer, dat me past als een behaaglijke jas.

Kortom, ook de sfeer waarin ik zit te schrijven is helemaal fijn.

 

 

Zoon

Zoon

Ook deze ervaring is er éen die te maken heeft met ‘maximale benadering met behoud van distantie’, de gulden regel voor de professionele afstand die je als hulpverlener moet aanhouden ten opzichte van hulpvragers.

Het is altijd zo dat je in de functie van hulpverlener zélf instrument bent. Je bent geen apparaat, geen machine, die functies en taken uitvoert zonder er als persoon bij betrokken te zijn. Dat betekent dus ook dat je gaandeweg in de uitvoering van het vak door moet krijgen wat je Zelf allemaal meeneemt aan geschiedenis, aan verlangens en behoeften. Om je niet te laten meeslepen door eigen drijfveren, al of niet door de patiënt* of situatie aangewakkerd. Je moet daar gevoel voor krijgen, en verstand van krijgen, en zicht op krijgen. Zelfreflectie is een must. Intensieve zelfreflectie. Al of niet onder begeleiding van een deskundige op dat gebied.

Kan dat ‘in vervoering raken’ door iemand, door een patiënt, altijd kwaad? Nee. Ik vind zelfs dat geraakt worden door iemand, die je zorg nodig heeft, veel bijdraagt aan je mate van betrokkenheid en inzet. Ik gun mezelf straks ook betrokken, liefdevolle, gepassioneerde mensen om me heen. Voorwaarde is, dat ik nog steeds kan vaststellen dat het om míj gaat en om hoe ík de dingen het liefste wil, zolang dat nog kan. Zie hier ook mijn tekst op ‘Laat me’, dat ik schreef voor mijn lessen over het omgaan met mensen met dementie, te vinden op ‘Bijlagen’.

Mijnheer Haver heeft uitgezaaide alvleesklierkanker. Zo. Dat is eruit. Hij heeft, samen met zijn vrouw, besloten om zich niet te laten behandelen, als dat al mogelijk zou zijn bij deze aandoening. Weinig tot geen kans van slagen. Geen kans bij hem.  MIjnheer Haver wil graag op waardige wijze aan z’n eind komen en vindt niet dat hij overmatig moet hoeven lijden aan de gevolgen van de ziekte.  Anno 1974 wordt er behoorlijk heimelijk gedaan over iets als euthanasie. De wet luistert nauw en medici zijn op hun hoede niet over de wettelijke schreef te gaan.

Ik ben graag op de kamer bij mijnheer Haver. We hebben fijne gesprekken en gaan de moeilijkste thema’s niet uit de weg. Hij vindt me sympathiek, dat merk ik en dat zegt hij.

‘We hebben zelf geen kinderen’, zegt hij. ‘Dat was ons niet gegeven’.  ‘En als ik er wel éen had gehad, dan had ik graag een zoon gehad zoals jij. Ik mag je erg graag’.

‘Dat is dan geheel wederzijds, mijnheer Haver. Ik vind u erg sympathiek en kan waarderen hoe u uw lijden draagt. ‘
“Daar doen jullie ook aan mee’, zegt hij, waarbij hij doelt op de injecties pijnstillers die hij door ons krijgt toegediend.

‘Kijk, daar heb je ‘m ‘, zegt hij tegen zijn vrouw als ik de kamer opkom en zij bij hem is.  Het maakt me verlegen en trots tegelijk. Dat gevoel dat je werkelijk iets voor iemand betekent, dat je ertoe doet. Dat is fantastisch. Als het waarachtig is. En dat is het.

De frequentie van het geven van pijnstillende injecties mag vanaf vandaag door mijnheer Haver zelf worden bepaald. De arts laat het aan hem over. In die zin, als mijnheer zegt ondraaglijke pijn te hebben, dan mag hij om een injectie vragen.

Als ik na een vrije dag terugkom tref ik een leeg bed. Ik moet even slikken. Minstens.

Het zal een jaar of drie later zijn als een mevrouw me in Haarlemse binnenstad staande houdt en zegt: ‘Jij bent toch Ron?’. Ik herken haar niet éen, twee, drie…’Ik ben mevrouw Haver’. En meteen gaat dat luikje open. Ze bedankt me alsnog hartelijk voor de fijne zorg en herinnert me eraan dat haar man erg op me gesteld was, als was ik een zoon voor hem. We delen de wederzijdse sympathie en schudden elkaar de hand als afscheid. Het ging haar gelukkig goed. Het waren altijd al mensen om het Leven te omarmen.

 

Sex in the City

Sex in the City

What the hell, zou je zeggen, is me dat de moeite en alle sores waard? Laat maar gewoon gaan, het duurt maar even.

Wat is er aan de hand? Het is nu avond, dus gewoon doordeweeks. Zondag is Eric binnen gebracht met de ambulance na een aanrijding. Hij zat op de motor en is gecrashed.  Hij is lid van ‘de club’. Van de Hells Angels. Ze waren met een paar aan het toeren en vlak voor hen ging er in het verkeer iets ernstig mis. Dikke pech. Het is niet zijn schuld, maar hij moet er wel voor boeten met een dubbele beenbreuk. Hij ligt op de aller-achterste kamer, in z’n eentje, en hangt – oneerbiedig gezegd- in de touwen. Van zijn benen zijn de botten herplaatst en de gewichten blijken nodig om alles even op hun plaats te houden. Meteen zondagavond na de OK is er al bezoek. Een hele serie makkers op motor parkeert voor de hoofdingang van het ziekenhuis en gaat ongevraagd naar binnen op zoek naar waar hun maatje gestald is. Hij wordt gauw gevonden en de collega-Angels wensen hem sterkte. Eerst wil er nog iemand blijven waken, maar dat kan die persoon uit zijn hoofd worden gepraat. Wél een mooi gebaar.

Vanavond laat komt er een aantal compleet onverwacht – en buiten het bezoekuur, dat in die tijd op pl. 30-45 minuten in middag en avond staat- langs voor Eric. Als het hoofd van de avonddienst hen dan de toegang wil weigeren, dan doet éen van de makkers zijn leren jack half open en laat daar – quasi nonchalant, met een ‘weet u het zeker?’,  de daar verborgen serie messen zien.  Een indrukwekkend gezicht en toegang is nu verzekerd. Het avondhoofd is te overdonderd om er iets tegen te ondernemen.  In de groep makkers beweegt zich ook een jonge vrouw. Ook zij is in een Hells Angels-jackje gekleed, maar verder is van motorkleding geen sprake. Rokje en hakken. De groep gaat naar de aller-achterste kamer en gaat naar binnen, begroet Eric. Even later komen alle mannen naar buiten en posteren zich voor de kamer op de gang. En wachten. Dat duurt even.

Na enige tijd komt de groep, met de jonge vrouw, de gang door en gaat- vriendelijk groetend en met een lach- richting uitgang. De motoren worden gestart en weg zijn ze.

Mijn collega gaat even bij Eric kijken, die het ongetwijfeld goed maakt. Alleen zullen de gewichten weer even op orde moeten worden gebracht, anders kloppen de verhoudingen niet.

Eh, tegenhouden? Risico’s nemen? Politie erbij halen? What the hell. Gewoon laten gaan. Het duurt maar even.