Te jong

Te jong

Ik ben drie jaar als mijn opa, de vader van mijn moeder, overlijdt. Hij woont al een tijdje bij ons in huis en hoewel het een nurkse, stille man is, mag ik hem graag. Het is voor mij niet duidelijk waarom hij bij ons woont. Daar ben ik dan ook drie voor. Ik herinner me geen duidelijke aanwezigheid door hem in ons gezin. Hij ís er en zít, in de luie stoel, en observeert waarschijnlijk de drukte – voor hem dan- om zich heen.

Opeens is hij niet meer in beeld. Achteraf weet ik dat hij naar het Marine Hospitaal is gebracht en daar heel naar heeft geleden aan maagkanker.

Opa was een stille man, introvert zeggen we nu. En stug. Zijn zoon, de jongere broer van mijn moeder, oom Piet, heeft veel van hem weg. Ik weet nog goed dat ik toch graag naast zijn stoel op de grond zat, dat voelde stabiel en veilig.

De dag van de begrafenis in de kerk van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten in Haarlem-Noord worden mijn twee jaar oudere zus José en ik achtergelaten in een lokaal van de kleuterschool, voor de duur van de uitvaart. Men vindt ons te jong om daar bij te kunnen zijn. Achteraf denk ik dat men mij te jong vond en mijn zusje José met mij mee liet gaan, waardoor het verblijf in dat lokaal me minder zou opvallen. In ieder geval waren we daar samen ’te gast’ in een klas met kleuters. Wat een pech voor de familie, die dacht zonder ons opa ten grave te kunnen dragen: de supergrote ruit van het lokaal biedt een pontificaal uitzicht op de kerkdeur van waaruit opa richting begraafplaats wordt gebracht. En ja hoor. Opeens zwiept die kerkdeur open en daar verschijnen de dragers met de kist. Opa!!! Ik zie mijn vader, moeder, ooms en tantes, mijn broers en oudste zus, iedereen loopt daar! En ik? En wij? En ik? Wat! De hel breekt los en José en ik gaan  staan rammen op die ruit. En …..dat haalt niets uit. Woedend ben ik en wat voel ik me belazerd, al is dat niet de vertaling van een driejarige.( Ik haal het gevoel nog steeds heel gemakkelijk terug).  Ik ben er van overtuigd dat als José en ik gewoon bij de uitvaart waren geweest dan was er punt 1 niets gebeurd, behalve dat we af en toe ‘sssst’ te horen hadden gekregen, en ‘zit stil’, en punt 2, belangrijker, dan was die woede, dat ‘er niet bij mogen horen’ – gevoel, en belazerd worden, niet zo diep in de groeven van mijn ziel terecht gekomen.

Opa wordt begraven op het kerkhof bij de Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten-kerk, onze parochie-kerk. We bezoeken de jaren erna vaak zijn graf. Een paar jaar later, december 1956, wordt mijn vriendje van school, Nolly Rootlieb, vlakbij hem begraven en voor mij ontstaat er iets tussen die twee. Opa waakt over hem. Zo beleef ik dat.

Het Begin Maart 1950

Ik kom ter wereld in de Marsstraat 127 in Haarlem en ben dan het zesde kind van het gezin Overtoom-Bijrij. Het is vijf jaar na de oorlog. Mijn oudste broer Ton, geboren in 1936, woont dan niet meer thuis. Hij ging in 1949, als twaalfjarige, het klooster in en zat in toen in Twello.
Ans( 1937), Ruud (1939), Frans (1944) en José (1947) wonen ook in de Marsstraat.
We zijn een katholiek gezin dus ik word gedoopt. Ton is mijn ‘peter’ en tante Truus, jongste zus van moeder, is mijn ‘meter’. Dat speelde verder in mijn leven geen enkele rol van betekenis. Het was meer traditie.

Mijn opa, vader van mijn moeder, woont even bij ons in. De enige herinnering aan hem die ik heb, ik ben dan drie jaar oud,  is dat hij in een luie stoel zit, en ik daarbij op de grond, en dat zus José binnenkomt waarop opa reageert: Zo, juffrouw Druk!!’   ( We vermoeden nu dat zus José misschien al kenmerken van ADHD vertoonde, maar die werden toen nog niet als zodanig erkend )

 

 

Te jong

Ik ben drie jaar als mijn opa, de vader van mijn moeder, overlijdt. Hij woont al een tijdje bij ons in huis en hoewel het een nurkse, stille man is, mag ik hem graag. Het is voor mij niet duidelijk waarom hij bij ons woont. Daar ben ik dan ook drie voor. Ik herinner me geen duidelijke aanwezigheid door hem in ons gezin. Hij ís er en zít, in de luie stoel, en observeert waarschijnlijk de drukte – voor hem dan- om zich heen.

Opeens is hij niet meer in beeld. Achteraf weet ik dat hij naar het Marine Hospitaal is gebracht en daar heel naar heeft geleden aan maagkanker.

Opa was een stille man, introvert zeggen we nu. En stug. Zijn zoon, de jongere broer van mijn moeder, oom Piet, heeft veel van hem weg. Ik weet nog goed dat ik toch graag naast zijn stoel op de grond zat, dat voelde stabiel en veilig.

De dag van de begrafenis in de kerk van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten in Haarlem-Noord worden mijn twee jaar oudere zus José en ik achtergelaten in een lokaal van de kleuterschool, voor de duur van de uitvaart. Men vindt ons te jong om daar bij te kunnen zijn. Achteraf denk ik dat men mij te jong vond en mijn zusje José met mij mee liet gaan, waardoor het verblijf in dat lokaal me minder zou opvallen. In ieder geval waren we daar samen ’te gast’ in een klas met kleuters. Wat een pech voor de familie, die dacht zonder ons opa ten grave te kunnen dragen: de supergrote ruit van het lokaal biedt een pontificaal uitzicht op de kerkdeur van waaruit opa richting begraafplaats wordt gebracht. En ja hoor. Opeens zwiept die kerkdeur open en daar verschijnen de dragers met de kist. Opa!!! Ik zie mijn vader, moeder, ooms en tantes, mijn broers en oudste zus, iedereen loopt daar! En ik? En wij? En ik? Wat! De hel breekt los en José en ik gaan  staan rammen op die ruit. En …..dat haalt niets uit. Woedend ben ik en wat voel ik me belazerd, al is dat niet de vertaling van een driejarige.( Ik haal het gevoel nog steeds heel gemakkelijk terug).  Ik ben er van overtuigd dat als José en ik gewoon bij de uitvaart waren geweest dan was er punt 1 niets gebeurd, behalve dat we af en toe ‘sssst’ te horen hadden gekregen, en ‘zit stil’, en punt 2, belangrijker, dan was die woede, dat ‘er niet bij mogen horen’ – gevoel, en belazerd worden, niet zo diep in de groeven van mijn ziel terecht gekomen.

Opa wordt begraven op het kerkhof bij de Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten-kerk, onze parochie-kerk. We bezoeken de jaren erna vaak zijn graf. Een paar jaar later, december 1956, wordt mijn vriendje van school, Nolly Rootlieb, vlakbij hem begraven en voor mij ontstaat er iets tussen die twee. Opa waakt over hem. Zo beleef ik dat.

 

De lagere school

Het is 2023 als Frans, José en ik naar Haarlem gaan. We doen jaarlijks met elkaar een Stedentocht. Bezoeken gedenkwaardige plekken, een museum, eten gezellig ergens en praten onderling wat bij over hie het ons nu gaat. Deze keer is het Haarlem, waar een groot deel van onze gezamenlijke geschiedenis ligt. We lopen in Haarlem-Noord en gaan langs onze Lagere Scholen of wat er al of niet van over is. Elk van ons heeft verhalen en herinneringen aan zijn of haar school. Op een gegevn moment komen we langs de Kardinaal de Jongschool. Het gebouw staat er nog en doet nu dienst voor een ander soort opleiding. Omdat het een doordeweekse dag is zouden we naar binnen kunnen en ik krijg die vraag van José, maar iets in mij wil dat helemaal niet. Het voelt onaangenaam. Het bezorgt me een oud, verdoofd gevoel. Zo van: ik heb daar nooit willen zijn.

Er zijn een paar foto’s uit die tijd, maar super weinig. Ik herinner me een foto dat ik met een klasgenootje in het zand voor de in aanbouw zijnde school zit te spelen. Het is Rudi Walkotte en we zitten allebei in de tweede klas bij juffrouw Gemke. Dat moment staat ook in mijn geheugen gegrift, waarschijnlijk ook met hulp van die foto. Ik herinner me dat Rudi verdrietige sfeer om zich heen droeg. Zijn vader was overleden. Het zal rond 2015 geweest zijn dat ik ene Ruut Walkotte op Facebook tegenkom. Ik maak kontakt met hem en stuur hem de foto. Hij is het. Wij zijn het. We hebben nog steeds kontakt via Facebook. Erg leuk. Hij woont zijn hele leven lang al in Haarlem, in dezelfde straat als vroeger.

Verder herinner ik me Jan Kooper, een vriendje van me weliswaar, maar ook dat hij mij ongenadig behoorlijk in mijn maag stompte toen hij mij blijkbaar irritant vond. Ik zal het bverdiend hebben.

De Zwarte Pieten op het dak van de noodbouw, waarbij ik toch echt een wiite hand in die zwarte zandschoen zag, potverdorie!

Hoofdmeester Houthuijsen die jarig was en elke klas rond ging om kadootjes op te halen en waarbij ik het gewaagd had wat luciferkoppen in de kado-sigarettten te steken. Hij kwam later in de klas verhaal halen en wilde weten wie dat op z’n geweten had. Toen ik uiteindelijk mijn vinger opstak zag ik de zogenaamd boze, maar vooral verbaasde blik in zijn ogen. Achteraf reflecterend en fantaserend denk ik dat hij het eigenlijk heel tof gevonden moet hebben dat dat brave, wat kleurloze, jongetje Overtoom dat ‘gedurfd’ had. Dat had hij niet verwacht.

Een sterke herinnering is het verhaal rondom Nolly Rootlieb. Eén van mijn vriendjes van de eerste klas. We zaten toen op de Bavo-school. Komt ie:

Het is september 1956 en ik ga op school, de St.Bavo Lagere school in Haarlem, waarvan ik later besef dat mijn broers, Ton, Ruud en Frans, me daar voorgingen.
Mijn juf is mevrouw Kampmeier. Een kleine, rondborstige, vriendelijk ogende moeke.
Ze is heel geruststellend, aardig en betrouwbaar. Ik voel me bij haar op m’n gemak.
In november wordt Nolly Rootlieb, een roodharig jochie uit mijn klas, overreden bij het oversteken van de Rijksstraatweg, als daar de stoet van Sinterklaas aan komt rijden.
Hij overlijdt.

We zijn allemaal erg aangeslagen en geschrokken. Nolly krijgt een ‘engelenmis’. Daaraan voorafgaand gaan we met de hele klas in een stoet naar zijn huis in de Vogelenbuurt. Hij ligt opgebaard links in een hoek van de huiskamer en ik zie zijn moeder rechts staan. Rood haar en heldere blauwe ogen. Zo blauw als ik die later zou zien in de film van de Titanic.
Wat ik toen nog niet kon vermoeden is dat ik haar later zou opzoeken. Daarover later meer.

Nolly wordt begraven op het kerkhof van de O.L. Vrouw van Zeven Smarten kerk in Noord, en hij ligt vlak bij mijn opa Bijrij, vader van mijn moeder, die in 1953 overleed.

Door het toenemende aantal kinderen na de oorlog in Haarlem Noord wordt er een nieuwe school gebouwd, de Kardinaal de Jongschool aan de Jan Gijzenkade. Een heel stel jongens van de St.Bavo Lagere School moeten over naar die school. Ronnie Overtoom ook. Ik vind het geen fijne overstap. We belanden in de noodbouw, want de echte school is nog niet klaar.  De juf van de eerste klas gaat niet mee. Er is niks vertrouwds. Meester Houthuijsen is het schoolhoofd. Een forse, lange, vaak boos-kijkende man met een kop zwart haar en grote tanden.

Ik denk dat we in het begin van de tweede klas even een inval-juf hebben gehad. Op een gegeven moment komt meester Houthuijsen de klas in en hij spreekt ons ernstig toe. Hij vertelt ons dat we juffrouw Gemke krijgen. Juffrouw Gemke is lange tijd ziek geweest en komt nu weer terug. En wee ons gebeente als wij haar weer ziek zullen maken…..!!! Dan zwaait er wat, dat kan je aan de meester met z’n boosaardige ogen wel zien. Juffrouw Gemke wordt gepresenteerd. Zo te zien is er niet veel voor nodig om haar ziek te maken: een grijze, grauwe, magere vrouw met ook al grijsgrauwe spillebeentjes, een veel te grote bril op het vaalbleke hoofd en enkele lokken dun grijs haar. Ik zit op de eerste rij voorin, vlakbij haar, het is dus oppassen geblazen.
We komen het jaar heelhuids door. Maar ik leer daar de boodschap: je wordt mede-verantwoordelijk gehouden voor de gezondheid (en mogelijke versnelde dood?) van een kwetsbare oudere, dus: dimmen! Inhouden! Aanpassen!

Ik heb op school geen leuke jaren. De derde klas is voor meester Thom Snijders. Een bravoure-mannetje, die het vooral leuk vindt om zijn stoel op de lessenaar te zetten en zo zijn volk te overzien en te imponeren. Hij kan wel aardig voorlezen, maar ik zit al in mijn schulp sinds het begin van de tweede, bij Gemke en ik kom daar zo ook niet meer uit.

Vierde klas. Ton Stevens. Een klootzak van de eerste orde. Hij gooit borstels en krijtjes naar z’n leerlingen en kan heel gemeen doen en kijken. Hij trekt je aan je oren voor de klas en dat is behoorlijk pijnlijk. Mij spaart hij ook niet. Ik schrijf per ongeluk ‘trug’ in een opstel, in plaats van ‘terug’, en word voor de klas voor joker gezet. Doordeweeks is hij mijn meester en in het weekend is hij mijn a.s. zwager. Ja Ans, mijn knappe oudste zusje,  is favoriet bij sommige meesters op school. Ze gaat zo’n drie jaar met me mee zowat: Snijders bla bla vindt haar aardig, Stevens wordt haar verloofde en Loek Garsten, meester van klas 5, informeert regelmatig en blozend bij me en, naar hoe ik de signalen nu als volwassen man kan interpreteren, hij lijkt verkikkerd te zijn op haar, maar ja, ze valt op Stevens. Garsten was best een aardige en warme man. Keuzes…

In de door mij bewaarde schoolrapporten kun je waarnemen dat het mij minder goed gaat vanaf klas 4. Ik heb niet de indruk dat het ook maar iemand is opgevallen en dat het vragen opgeroepen heeft over de positie waar ik in zat. Niemand heeft zich waarschijnlijk afgevraagd in hoeverre het gepast is om de verloofde van mijn zus mijn schoolmeester te laten zijn en of ik daar last van had de ja of de nee.

Later, het is nu 2026, als ik de beschadigingen, die ik in mijn leven heb opgelopen, onder de loep neem en ze uitspreek krijg ik de reactie: Ja, dat was toen gewoon zo….Alsof het daarmee gladgestreken zou moeten en kunnen worden. Voor mezelf is dit een moment waarop ik het kind in mij begrijp dat zegt: ik word – alweer- niet gezien. Zulke opmerkingen van anderen worden gemaakt vanuit de ratio, vanuit een rationeel weten dat het niet opgelost kan worden. Ik weet ook wel dat het ’toen’ niet zo was en dat een kind dat niet hoefde te verwachten van zijn ouders, maar daarmee is het nog wel een eenzaam en verdrietig deel van me.

Het hoeft ook niet opgelost te worden. Maar wel erkend! Met een onderstreping van hoe dat gevoeld zal hebben en soms nog voelt. ‘Klote voor je, eigenlijk. Je was daar verdomd eenzaam.’ Zulke woorden zouden voldoende zijn om een brug te slaan.

Het gegeven dat Stevens tegelijk verloofde en meester was kan zelfs door mijn ouders als ‘heel voornaam’ zijn beleefd. Een meester was niet niks.
Zijn aanwezigheid bij ons in huis voelde unheimisch. Hij kon, om te demonstreren dat hij ook wel gewoon met me kon spelen, me achtervolgen op de trap. Ik herinner me zijn blik, ook toen hij mijn afwijzing opmerkte. Verbolgen was hij, koud. Dat mocht ik op school dan weer ontgelden.

Ik herinner me een moment dat ik absoluut niet naar school wilde. Mama wist ook niet wat ze met me aanmoest en liet me de hele school-ochtend op het muurtje van de bloembak voor ons voorraam zitten. Ik heb daar uren stil in m’n eentje zitten zitten. Maar alles beter dat naar die school moeten.

Naïviteit

Het lijkt misschien iets futiels, deze ervaring. Het lijkt haast niks, te kinderachtig om op te schrijven?

Het is bijna Sinterklaas 1961. Bij ons thuis is dat elk jaar een bijzonder feest. Pakjesavond is steeds supergezellig en spannend. Spannend? Ja, als je in Sinterklaas gelooft. En dat doe ik. Nog. Nog. Nog steeds. Nog steeds? Mijn vriendjes in de straat beweren dat het allemaal niet waar is, Sinterklaas bestaat niet, is een verzinsel. Maar, mijn ouders, mijn moeder, hebben plechtig gezegd dat Hij bestaat. En mijn moeder zegt de waarheid. Altijd. Toch? Mijn vriendjes lachen me uit, en uit, en uit. Ik geloof heilig in mijn moeder!

Na het eten, iedereen zit nog aan tafel, sta ik naast mijn moeder die aan het ‘andere’ hoofd van de tafel zit, (aan de kant van de keuken natuurlijk he…) en vraag haar: Mama, Sinterklaas, die bestaat toch, he? Of….niet….? En dan zegt mijn moeder, met hoorbaar ‘ bezwaard gemoed ’:’ Nee, Ronnie, Sinterklaas bestaat niet en ‘ .  Wat ze daar allemaal achteraan zei komt niet meer binnen. Wat voel ik me belazerd, en wel door mijn moeder die ik zo had geprezen en verdedigd naar mijn vriendjes. En nu moet ik mijn vriendjes onder ogen komen. Wat zullen ze me belachelijk vinden dat ik als bijna 12 jarige nog steeds gelovig was. Afschuwelijk. En mama, is er nog meer dat niet waar is? En waar je me bij in de waan laat? Weet je wat? Ik word op mijn hoede. Betrouwbare mensen zeggen niet steeds de waarheid als ze denken je met een onwaarheid een plezier te doen. Later zal ik dit fenomeen tegenkomen op de verpleegafdeling waar men kankerpatiënten niet vertelt dat ze binnenkort doodgaan.

 

 

 

 

 

 

CVA
Het is 1962 als ik de Lagere School verlaat, ik ben 12. Ik ga naar de St.Jeroen Mulo. Die zomer wordt de huiskamer thuis verbouwd.  Een bende is het. Schuifdeuren eruit en een haard geplaatst. Wel mooi geworden. Pa werkt zich rot, samen met een kameraad van hem.  Later dat jaar gebeurt het:  papa krijgt een hersenbloeding en we belanden in crisis. Mama wordt weliswaar in van alles bijgestaan, maar toch. Ik moet zeggen dat ik er niet veel herinnering aan heb. Het leven gaat verder. De ritten naar de Valeriuskliniek in Wassenaar, waar Pa enkele maanden verblijft, herinner ik me, maar dat Pa niet thuis was daar heb ik geen vervelende herinnering aan. Ik denk dat ik hem niet miste.

Vader doorstaat de bedreigende situatie en ‘herstelt’ zonder grote ingrepen. Hij kan wel veel minder hebben en de sfeer thuis is regelmatig erg gespannen en onveilig. Er zijn gelukkig ook momenten dat het wel losloopt en gezellig is. Maar er is voortdurende waakzaamheid nodig. In zo’n sfeer doe je je best om het wat stabiel te houden.  Maar ja, er wordt geleefd, gepuberd, van alles, dus ja…

Het zal 1964 zijn  geweest dat ik samen met zus Jose naar Bloemendaal ga, naar de woning van behandelend geneesheer Dokter Uiterwaal. Het gaat thuis bergafwaarts met Pa. Ruzie, en nog eens ruzie. Het is een dinsdag- of woensdagavond half acht en de dokter kijkt verstoord dat we zijn adres gevonden hebben en nu voor zijn deur staan. We doen ons verhaal en vragen hem om hulp. Hij kijkt ons aan en zegt iets als: ‘Jullie moeten gehoorzaam zijn en je gedragen. Jullie vader kan een tweede bloeding krijgen en dan is dat mogelijk jullie schuld!’

En daarmee dropen we af en gingen weer naar ‘huis’.

 

Het schilderij van mijn leven

Bij het schilderij  “ De Cirkel Rond “  van Ron Overtoom.
24 augustus 2020

Met veel plezier heb ik aan dit schilderij gewerkt. Het was een intensief proces, dat veel  aan mijzelf raakte. Voor het eerst een schilderij, waarbij ik voelde dat het echt over mijzelf ging. Dat was ook de opdracht en dank dus daarvoor.

In het midden een labyrint. Het labyrint heeft in mijn leven veel te betekenen. Voor mij staat het symbolisch gelijk aan de spirituele levensweg die ik bewandel. In een labyrint kun je niet verdwalen. Het is een doorgaande weg naar het midden, je persoonlijke midden, je kern, je persoonlijke integriteit, je zuivere Ik. Bij de bochten kun je besluiten iets af te leggen, achter je te laten. Als je op dit levenspad iets niet aangaat en laat liggen, dan zul je dat verderop opnieuw aantreffen en net zo vaak als je dat nodig hebt, omdat je deze les nu eenmaal te leren hebt.

Ik heb het labyrint ook meermaals in het echt gelopen. Samen met Astrid, mijn lief, heb ik het meerdere keren uitgelegd op een vloer van een groot gebouw of buiten in het zand, op gras.  En dan loop je dat, al of niet met een eigen vraag, en ergens onderweg ontvang je vaak een onverwacht antwoord.

Het labyrint in het schilderij is een zeven-rings. Als je het met je vinger volgt zul je zien dat je in het midden uitkomt.
Meer links naar boven schilder ik de kathedraal van Chartres (Fr). Astrid en ik zijn daar geweest. Een bijzondere ervaring. ( In een weekend een orgelconcert, een huwelijk, het labyrint-lopen en een priesterwijding.) Daar ligt een beroemd labyrint in de vloer van plm. 13 meter diameter, een 11-rings, totale loop 261 meter!

Links van de kathedraal schilder ik een huis. Symbool voor zowel mijn  ouderlijk huis, als voor het huis van nu, waar ik mij thuis voel.

De sparrenbomen staan voor Astrid en haar twee kinderen.  Astrid heet Sparreboom. Zij neemt in mijn leven een krachtige en standvastige plaats in.
Zij is de grote boom. Naast haar staan haar kinderen, Kirsten en Ingmar.

 

Meer naar onder staan wat grafzerken in het gras, voor mijn overledenen.
De man die zit te vissen is mijn overleden en betekenisvolle vader. Zijn kleur is onopvallend nu, maar hij was aanwezig en doet er nog steeds toe.
Hij mag genieten van zijn plek aan het water, aan het eind van de stroom, afgewend van de hoofdthema’s, heeft nu een bijrol en dat is goed zo.

 

 

De drie clowntjes stellen mijn drie kinderen voor. Van links naar rechts: Daan, Thijs en Wouter.
Toen ik van hun moeder scheidde waren zij nog klein en jong. Zij verhuisden naar heel ver weg. Om hen te symboliseren kocht ik de dag van hun vertrek deze drie clowntjes en wist voor mezelf meteen dat de kleurrijke Daan voorstelde, de krachtig rode Thijs en de diepe blauwe Wouter. ‘ It’s a small world after all’, klinken ze alle drie als je ze opwindt. Samen weten ze dat ze ‘the Band of Brothers’ hebben. Ze zullen elkaar nooit laten vallen, en helpen/steunen elkaar waar nodig.  Zij zijn door de geschilderde zes gitaarsnaren verbonden aan elkaar, aan mij en aan muziek. De snaren lopen de verte in, symbool voor de verte waar hun leven zich afspeelt en zij hun eigen weg zullen gaan.

De vrouw rechts staat symbool voor het oer- moederlijke, voor de oorsprong en voortgang van leven. Zij voegt vruchtbaarheid en leven, vruchtwater, toe aan de maalstroom. Deze stroom loopt langs de entree van het labyrint, daar begin je je eigen weg. Je kunt opstappen bij de opstapplaats.

Rechtsboven is de aarde geschilderd. Als variant van de Earthrise van de Apollo-maanfoto, is dit de Earthrise boven de aarde. De aarde die opkomt boven de horizon van de aarde. Ik gun de aarde een goed herstel, en –  indien nodig – als een mensloze wereld. Mensen zijn niet in staat gebleken om de aarde op een goede manier te bewonen, goede rentmeesters te zijn. We tonen ons hebberig, het is nooit genoeg. We bevolken de wereld, zijn daarin mateloos en grenzeloos, wonen haar uit, putten haar uit. We vernietigen haar en alle pracht die er op te vinden is.  Ik ben zelf geen haar beter. Doe mijn best (?) in het klein.

Mooi in het schilderij vind ik de weerschijn van de aarde in het lijf van de vrouw.
De meer-lagigheid, de doortekening van de ondergrond.
De kleur van Chartres’ koperen dak die terugkomt in het centrum van het labyrint.
De veelkleurigheid van de kinderen die terugkomt in het bloemperkje links onder. Zij domineren met hun kleur, staan nagenoeg in het centrum en zo is het goed.

Ik heb er zo’n dertig uur aan gewerkt. De tijd die ik er voor zat om ernaar te kijken, en de volgende stap ‘te laten binnenkomen’ meegeteld. Want er was geen vooropgezet plan, alleen het labyrint was duidelijk. De rest ontstond vanwege de doortekening van de ondergrond-lagen en wat zich daarbij aandiende, of door wat er bij me opkwam als ik ervoor zat te mijmeren.

Nog niet eerder heb ik het maakwerk van een schilderij zo intens beleefd en als een creatief continuüm ervaren. In alle rust stap na stap. Doen wat klopt. En alles klopte.
Voor mij werkte dit als een fantastische opdracht. Dank, Bart van der Bom.

“De Cirkel Rond”

MDF met doek bespannen
Acryl  61 x 122 cm
o.a. frottagetechniek
naar de stijl van Marc Chagall

Ron Overtoom
Wim Reinderslaan 8
8531GD Lemmer
06 5116863

www.ron-art.nl

 

 

 

 

 

Daarom dus

Daarom dus.

 

Het is net Kerst geweest en ik zit met mijn vriendin aan een kerstbrunch bij mijn ex en mijn drie zoons. In het huis van mijn ex. Ik kom mijn jongens ophalen om een paar dagen door te gaan brengen in mijn huis. Dat is het huis in Gelderland waar we vroeger met z’n allen woonden en waar ik nu alleen woon sinds de scheiding, ongeveer 11 jaar geleden. Een detail in het geheel, maar het is 28 augustus en dat is de datum van onze trouwdag in 1988. Op zich is het een mooi gebaar van mijn ex dat we hier samen aan tafel zitten. We hadden al geen vechtscheiding, maar dat ik hier met mijn vriendin ben in dit pand is toch heel wat. Mijn ex heeft al langer een nieuwe vriend en dat zou kunnen schelen in de aanvankelijke scherpte. Alles wordt wat zachter lijkt het.
Het is een sfeer waarbij ik wat in de war kan raken. Sowieso heb ik nooit van mijn kinderen willen scheiden, Ik heb ze vaak gemist en ik moet gewoon maar eens zeggen dat ik veel in stilte heb geleden en dat soms nog doe. Dat het minder wordt heeft te maken met het gegeven dat ze de leeftijd hebben bereikt dat ik ze sowieso minder om me heen zou hebben omdat ze nu eenmaal de uitvliegleeftijd hebben bereikt, bijna 23 en 25 jaar. Ook al vliegen ze niet uit, ze zijn aardig honkvast bij hun moeder. Daar zullen ook redenen van studerend-zijn een rol in meespelen. Maar toch, ik merk dat het me raakt om zo aanwezig te zijn in hun sfeer, hun gewone alledaagse bedoening. Hun moeder, mijn ex, is ook niet de onaantrekkelijkste vrouw en ze heeft vele goede en lieve kanten. Toch ben ik daar met mijn vriendin, tegen wie ik in alle rust kan zeggen: ik hou van jou, en te weten dat dat waarheid is. Maar, was het vroeger anders gelopen had ik hier dan niet kunnen zitten als echtgenoot en vader, in deze huiselijke en gezellige sfeer? Dan had ik mee kunnen ‘geiten’ met de jongens en we hadden een hoop plezier kunnen hebben.
Het gesprek aan tafel verloopt eigenlijk heel ontspannen. Zelf heb ik daar de regie niet in, die is aan mijn ex. Ze stelt belangstellende vragen, luistert en geeft prettige reacties. Dat ik van binnen weet dat mijn vriendin waarschijnlijk de pot op kan is niet te merken aan de oppervlakte van de conversatie.

‘Je had een uitgebreide kerstkaart, Ron. Heb je er veel laten drukken?’  zei mijn ex. Ik antwoordde dat ik ze uitgeprint had en er een stuk of dertig had verstuurd.

‘Je had veel tekst. Een stuk links, een stuk rechts en daar onderaan weer over iets anders, ik weet niet wat je er allemaal mee wilde zeggen, maar duidelijk vond ik het niet.’

De opmerking is gemaakt en is natuurlijk volkomen legitiem. De toon waarop de opmerking wordt gemaakt drukt uit dat het een constatering is van haar bevinding. In mijn beleving ervaar ik dat de ondertiteling eigenlijk luidt: je wou weer eens veel dingen tegelijk, er zat geen lijn in, en wat je ook wilde uitdrukken, het komt niet uit de verf. Je komt niet over. En ook: ‘dat ken ik van je en ik kan er niks mee’.  Geen verdere vraag om een toelichting of verduidelijking, geen interesse in mijn beweegredenen en de inhoud.

Een vriend mailt mij later:

Ron. Bedankt voor de nieuwjaarskaart, Ik heb hem wel een paar keer gelezen, en ik was en ben nog steeds onder de indruk wat jij daar allemaal in schrijft. Het luisteren naar mensen is tegenwoordig heel slecht, en als je inderdaad wat wil inbrengen dan moet je dat overduidelijk doen, anders komt het niet over, en had je beter je mond kunnen houden. Nu, jouw woorden hebben zeker  doel getroffen, op de preekstoel zou het zo maar gekund hebben! Het heeft mij zeker goed gedaan, het kwam heel warm over, en dat kom je niet elke dag tegen tegenwoordig. 

Ik mail hem terug:

Dank voor je reactie. De kaart valt niet overal even goed. Vaak bij mensen die niet die moeite nemen om hem aandachtiger te lezen. Ze willen een vlotte wens en weer verder met de dingen van de dag. Jammer. 

Zelf kan je er ook wat van!  Je nam al die jaren al de moeite om een versje te schrijven op het afgelopen jaar en een hoopvolle blik op het nieuwe. Ook jouw kaart wordt dan weggelegd tot de koffie en vervolgens aandachtig gelezen. Zo werkt dat. Dat is me dierbaar, zulke momenten en de wederzijdse aandacht. Fijn dat die er tussen ons is, dank ook.

 

Dat ‘geen interesse in mijn beweegredenen’ is niet helemaal een juiste typering. Het zou ook glashard ontkend worden, omdat mijn ex zelf ervaart dat het niet gaat om gebrek aan interesse. Het is voor haar zoals zij zegt: zij kan er niets mee. En als bij dingen die zij tegenkomt waar je niets mee hoeft te kunnen omdat de dingen zijn wat ze zijn, namelijk gewoon de moeite waard om eens aan te proeven, en tegelijkertijd een diepere laag in ons innerlijk weten raken of vertegenwoordigen  om te ervaren hoe het voor jou is, en dan door te slikken als welkome voeding of uit te spugen als het je niet past.

 

In de steek laten.

 

 

2018: aangetroffen op mijn pc op zoek naar materiaal voor mijn boek. Zou dit niet zo gebruiken, maar gooi het ook niet weg. Bewerken dus.

Afscheid van Sancta Maria door dhr. Knop, Hoofd Opleiding. Ron, een casus.

psychiatrisch ziekenhuis sancta maria

Casus ten behoeve van het afscheid van de heer Ron Overtoom.

Personalia:

Naam Overtoom
Voornaam Ron
Geb. datum:  15-3-1950
Geb. plaats Haarlem
Woonplaats Noordwijk
Levensbeschouwing: Van huis uit keurig opgevoed; dus maakt niets uit.

Burgelijke stand: Nog niet bij wet geregeld, maar verstaan wordt
twee-verdieners in een duurzame relatie.

Uiterlijk

De heer Overtoom is een schriele magere lat. Zijn motoriek is overdreven ferm.
Soms kan hij peinzend voor zich uitstaren. Datm is vooral in een perode, waarin dan ook niets uit zijn handen komt. Over het algemeen kleedt hij zich wat jongensachtig: te gekke broek, te gekke trui. Een enkele keer verschijnt hij ineens in een zwart pak. De verpleging weet, dandat het opletten geblazen is. Zelfzorg is goed tot overdreven. Na een simpel karweitje moet hij ineens douchen. Hij maakt zich zorgen over
zijn gehoor, maar tot nu toe, hoort hij alles, zelfs dingen, die hij niet behoeft te horen.

Voorgeschiedenis
De heer Overtoom komt uit een goed milieu. Erg veel is er niet
bekend over, maar soms geeft hij aan, dat hij een avond bij de
familie doorbrengt. Na een wat slordige periode op de pedagogische
academie, voelde hij zich geroepen verpleegkundige te worden.
In Johannes de Deo, behaalde hij zonder veel moeite het A-diploma
en omdat hij zeer begaan was met de mens, meldde hij zich op
1 maart·1975 voor de B-verpleging aan. Op 4 maart 1977 werd hij
gediplomeerd. Op 5 maart in dat jaar werd hij aangesteld als
praktijkbegeleider. Naar zijn zeggen, was het dat niet en 1
september 1978 kwam hij te werk als docent verpleegkunde in de
opleiding. Op 15 juni 1979 werd hij gediplomeerd docent. Zijn
ster schoot omhoog en hij werd zelfs tweede-graads bevoegd.

Huidige Situatie

De heer Overtoom geeft momenteel aan het hier wel woor gezien te
hebben. In ons ziekenhuis staat hij bekend als een creatief manneke.
Soms zeer impulsief en kan ter plekke een verklaring van de directie
eisen. Zijn werk doet hij tot volle tevredenheid; wel moet gezegd
worden, dat hij nog wel eens verzuipt in de verslagen.

Hij is bijzonder collegiaal- laat nooit iemand in de steek – vindt echte vriendschap belangrijk.
Heilig zal hij nooit worden, maar het was zalig om met hem te mogen werken.

Prognose:

Het team bestaande uit: Tinie van den Berg, Frida van de
Linden, Zr. Odulpha, Ruud Veltman, Sonja van Breukelen, Frans Dixon,
Riet van der Ploeg, Herwig Ferket en Ferrie Knop, voor deze gelegenheid
versterkt met agogische en methodische hulptroepen, Lies König
en Ingeborg de Jong: is van mening, dat het een goede zaak is, dat
de heer Overtoom zijn vleugels uitslaat en gaat over tot stemming
van dit plan.

Noordwijk, 21 december 1984.

Voorwoord Persoonlijke Levensgeschiedenis

Voorwoord Persoonlijke Levensgeschiedenis

Voor ieder aan wie ik het wil laten lezen en voor ieder die het lezen wil.

Het speelt al jaren dat ik de behoefte heb om verhalen van mijn leven op te tekenen. Ik ben al diverse keren begonnen in Word op de laptop. Nu, door het gemak van het plaatsen van de verhalen op mijn site via WordPress, is het me allemaal veel gemakkelijker. Ik weet wel dat écht schrijven, met pen op papier, nog dichter bij je Zelf komt dan tikken op toetsen. De keus is toch gemaakt. Het werkt sneller en ik kan het allemaal eenvoudiger aan anderen, die ik uitkies, laten lezen.

Met dank aan alle personen die in mijn leven een rol van betekenis hebben gespeeld en daarmee hun bijdrage hebben gehad aan mijn verhaal en aan de verhalen die ik kan doorvertellen. Dat zijn er vele. Er zijn een aantal sleutelfiguren, die echt zorgden voor een een stroomversnelling, of juist voor een dam in de stroom, om me ergens voor te willen behoeden.  Wegwijzers ook, waardoor ik een route ben gegaan omdat die ander potentie in die richting in mij zag.

Ik begin met verhalen uit ons vroegere gezin Overtoom in de Marsstraat 127 te Haarlem. Het zijn situaties en gebeurtenissen die mij hebben gevormd.
Verhalen over mijn jeugd, van bij ons thuis, hoe sommige situaties voor mij verliepen en welke indruk ze op mij maakten. Ik heb, naar wat ik achteraf vast kan stellen, vaak eenzame momenten gekend.
Nu ik alles zo beschrijf is het een ontmoeting met mezelf als jochie en geef ik aan mezelf terug hoe ik het zo in mijn leven ervaren en gedaan heb. Door het op te schrijven, en dus woorden te geven, geef ik mijn beleving en ervaring daarmee ook een soort van erkenning.
Het is geen klaagzang, tenminste, het is niet zo bedoeld.
Het heeft mij gevormd, dat is het.

Het is nu 2026. Ik voel me een gelukkig mens. Zo ervaar ik mezelf al langer. Met Astrid, mijn lieve vriendin/vrouw als levensgezel, drie lieve zoons Daan, Thijs en Wouter en hun aanhang Gaica en Anna, de lieve kinderen van Astrid: Ingmar en Kirsten en iedereen daar omheen: Lingzhy, Tristan en Callum, en de vrouw van Kirsten, Minke.
En ik weet me rijk met een aantal creatieve hobby’s, zoals muziek maken, beelden boetseren en vooral schilderen. Ik ben in 2017 verhuisd naar een knus huis in Lemmer, dat me past als een behaaglijke jas.

Kortom, ook de sfeer waarin ik zit te schrijven is helemaal fijn.