Kom niet aan mijn verdriet

Kom niet aan mijn verdriet

Het is van mij,
Ik koester het zorgvuldig.
Het wordt niet groter
en niet kleiner
maar het blijft in stand.
Het is de oorzaak
van mijn tranen,
mijn gedachten,
mijn herinneringen.
Ik heb het nodig om te zien
hoe alles was.
Het is niet groot genoeg
om hopeloos te zijn,
het heeft geen kans,
geen toekomst.
Kom nog niet aan mijn verdriet.
Ik zal je roepen
als ik delen wil.

Loes den Hollander

Beste Judith

 

Beste Judith,

(Een brief op verzoek aan een dochter die haar moeder zal wegbrengen naar een tehuis)

Wat je schetst is een van de moeilijkste dilemma’s in je leven: een besluit nemen dat bepalend is voor het verloop van andermans leven.

Ik kan je geen direct advies of iets dergelijks geven, wel een beschouwing, zoals ik zelf tegen dit soort dilemma’s aankijk.

Naar mijn idee is de beste basis van waaruit je een beslissing over iemand anders’ leven gaat nemen dat je dat doet vanuit een besef van een volledige verantwoordelijkheid.                            Een verantwoordelijkheid welke je ook zult moeten dragen. Nog beter: een verantwoorde-lijkheid die je ook wil dragen, die je niet zomaar aan een ander wilt overlaten, hoe verleidelijk ook vanwege je eigen pijn.

Dan helpt het je dat je bent doordrongen van het besef van waaruit je dat doet.

Naar mijn idee is Liefde het enige echt geoorloofde motief. Liefde kent vele verschijningsvormen. De vorm die zich hier aandient is misschien: de uit Liefde voortvloeiende zorg voor iemand die zelf niet meer over zijn of haar eigen leven kan beslissen.

Het leven van ieder mens beweegt zich tussen frustratie en acceptatie.
Het is frustrerend dat het leven van je moeder loopt zoals het loopt, dat ze ziek is, dat ze niet meer volledig voor zichzelf kan zorgen, vanuit haar eigen wens te kennen heeft gegeven niet haar huis uit te willen.                                                                                                                                       Aan de kant van frustratie zit alles wat we ons wensen, hoe het leven zou moeten zijn, allerlei voorwaarden waaronder wij ons beter en gelukkiger zouden voelen, over het leven, over en met de ander, over en met onszelf, ons eigen zelfbeeld, als maar aan dat of dat zou worden voldaan….als de ander maar….

Aan de kant van acceptatie ligt verzoening met de realiteit, de werkelijkheid van het bestaan. Het leven leven zoals het stroomt, zoals het is. Ons verstaan met het feit dat alles vergankelijk is,  terwijl wij als mensen graag streven naar behoud , vooral van dingen die ons welkom zijn. Dat is niet de werkelijkheid. Alles verandert voortdurend. Onze behoefte om ons vast te willen houden aan de vorm, aan onze gedachten over hoe het zou moeten zijn, is de voornaamste reden van onze pijn. (Onder deze laag van leven ligt nog een diepere, een andere bewustzijnslaag, een meer universele bron van leven en levenswijsheid. Daarvoor is een innerlijk zoeken en vinden nodig en stilte temidden van alle herrie buiten en in jezelf.)

Ieder mens dat oud wordt zou mogen beseffen dat er een moment komt dat hij niet zonder zorg van anderen kan. Is het een kwestie van persoonlijke rijping om dan bij voorbaat het proces van acceptatie door te maken dat je tegen die tijd niet teveel van anderen mag verlangen om je leven in stand te houden zoals je dat het liefst zou willen?

Niet om moeders te vergelijken, maar met mijn moeder hebben we een gezellige bijeenkomst gehouden in ons ouderlijk huis en, in onze aanwezigheid, is zij in de auto gestapt op weg naar haar tehuis. En ze is daar, naast gezellige momenten, verduveld eenzaam of in ieder geval erg alleen geweest. Maar ze wist het: het hoort bij het leven.

Aan de kant van acceptatie ligt ook de betekenis van vergeving.                                                                         Mijn moeder heeft er nooit enige twijfel over laten bestaan dat ze van ons hield zoals wij waren en ook nooit over het feit dat ze het ons vergaf dat we niet haar leven konden leven.

Desondanks is het proces van vergeving van jezelf een emotioneel proces dat zich in jezelf moet voltrekken. Dat is ook de reden dat je een dergelijk besluit, over het al of niet door laten gaan van de verplaatsing van je moeder, niet door anderen mag laten nemen. Het zou je de valse ruimte geven om achteraf de ‘schuld’ bij anderen te leggen. Waarbij je het risico loopt de ervaring te missen dat er geen sprake is van ‘schuld’. Je bent er hooguit mee gestopt om je te verzetten tegen de werkelijkheid en de normale loop van de dingen.

Gemoedsrust is gelegen in het besef dat je gedaan hebt wat je wilde en kon doen. Dat je ervoor zorgt, en ook dat is verantwoordelijkheid, dat je eigen leven niet te ver van de rit gaat door het leven en het niet te voorkomen en voorspelbare lot van een ander.                          Gemoedsrust is gelegen in het gegeven dat je namens de ander tot de beste optie gekomen bent. Een plek uitzoeken waar iemand zich zo maximaal mogelijk op zijn gemak zal kunnen voelen.

De plek: wat je beschrijft klinkt goed. Wat van belang is, naar mijn mening, is dat zij daar mag doen wat zij wil of nodig heeft.  Enige aandrang van diverse kanten om haar tot dingen te stimuleren, prima. Maar geen verplichte nummers. Niet op de huiskamer hoeven zijn, op haar eigen kamer mogen zijn als dat voor haar beter voelt. Als zij al geen sociaal mens was dan wordt zij dat misschien ook niet meer, hoewel je dat met dementie nooit weet hoe iemand zich nog ontpopt. Dat soort dingen kun je van tevoren afstemmen en vastleggen.

Heimelijkheid? Waarom stiekem? Ik kan niet ontkennen dat een veel voorkomend en verschrikkelijk gevoel bij opgenomen dementerenden is:  het gevoel van verraad.                                                                                         Ik kan het niet voor jou of jullie zeggen, maar zelf zou ik er nooit voor kiezen. Echt helemaal nooit. Verraad is het ergste wat je kan overkomen. En ook het ergste waar de ander je van kan beschuldigen, laat staan met een kern van waarheid erin. Maar misschien heb ik wat te leren en kan je me duidelijk maken wat een reden kan zijn om zo te moeten handelen?

Zorg dat je gewapend bent en bestand bent tegen een mogelijke reactie van aantijgingen en fel verwijt. Verwacht geen volledige berusting en overgave. Vechten en verzet is een teken dat er nog echt leven in iemand zit. Je hebt misschien wel vaker iemand uit liefde, verantwoordelijkheid en vanwege de loop der dingen ergens heen moeten brengen?

Ik weet niet wat dit bijdraagt. Overeind blijft dat je het zelf moet doen. Zal ik het eens anders zeggen: dat je het zelf mag doen. Zo te merken heeft je moeder je opgevoed tot een volwassen, zorgvol, zorgvuldig en gewetensvol mens. Een mens dat in staat is tot het maken van lastige keuzes en het nemen van noodzakelijke beslissingen. Klopt dat? Dan kun je ook naar eer en geweten handelen, ook al lijkt het in eerste instantie niet te stroken met wat je opvoeder je bijgebracht heeft? Van belang blijft dat je een beslissing neemt binnen een bepaald licht. Ik peil zoiets af aan een ervaring van liefde en acceptatie van het verloop van het leven. Voor jou kan ik dat niet invullen. Maar zoek je eigen toets, die heb je.

Sterkte met alles. Ik hoor graag van je terug.

Hartelijke groet, Ron Overtoom.

Vandaag sprak ik een vader

Vandaag sprak ik een vader

wiens dochter bruut vermoord

die, hoe je hem ook nadert,

zich nimmer voelt gehoord.

Want niemand kan bevatten,

zelfs als je de ervaring deelt,

dat dit van het soort wonden zijn

die nimmer worden geheeld.

Zand

Met ogen, onrustig zoekend en turend In de verte, was ik op weg,
want ik wist dat achter de horizon geluk te vinden was.
Daar moest en zou meer schoonheid zijn.

Ik had het kind niet gezien,
want ik tuurde in de verte.
Het zat opeens vlak voor mij in het zand.
Ik zag haar ogen. Ze glunderden.

Ze pakte een handje zandkorrels
en liet het zand tussen haar vingertjes
meegaan op de vleugels van de wind.

‘Zand”, zei ze.
En nog een handje zand.
‘Mooi’.

Sprakeloos keek ik naar het kind,
dat de korreltjes zand in haar handjes met gelukkige ernst bekeek.
Ik tuurde naar de horizon en voelde me moe.
Ik deed mijn rugzak af en ging naast het kind zitten.
Het zag mijn handen gevuld met….
‘Jij ook zand, mooi?’

Ik ook zand, mooi
en we speelden.

Jeugdjaren

 

 

Te jong

Ik ben drie jaar als mijn opa, de vader van mijn moeder, overlijdt. Hij woont al een tijdje bij ons in huis en hoewel het een nurkse, stille man is, mag ik hem graag. Het is voor mij niet duidelijk waarom hij bij ons woont. Daar ben ik dan ook drie voor. Ik herinner me geen duidelijke aanwezigheid door hem in ons gezin. Hij ís er en zít, in de luie stoel, en observeert waarschijnlijk de drukte – voor hem dan- om zich heen.

Opeens is hij niet meer in beeld. Achteraf weet ik dat hij naar het Marine Hospitaal is gebracht en daar heel naar heeft geleden aan maagkanker.

Opa was een stille man, introvert zeggen we nu. En stug. Zijn zoon, de jongere broer van mijn moeder, oom Piet, heeft veel van hem weg. Ik weet nog goed dat ik toch graag naast zijn stoel op de grond zat, dat voelde stabiel en veilig.

De dag van de begrafenis in de kerk van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten in Haarlem-Noord worden mijn twee jaar oudere zus José en ik achtergelaten in een lokaal van de kleuterschool, voor de duur van de uitvaart. Men vindt ons te jong om daar bij te kunnen zijn. Achteraf denk ik dat men mij te jong vond en mijn zusje José met mij mee liet gaan, waardoor het verblijf in dat lokaal me minder zou opvallen. In ieder geval waren we daar samen ’te gast’ in een klas met kleuters. Wat een pech voor de familie, die dacht zonder ons opa ten grave te kunnen dragen: de supergrote ruit van het lokaal biedt een pontificaal uitzicht op de kerkdeur van waaruit opa richting begraafplaats wordt gebracht. En ja hoor. Opeens zwiept die kerkdeur open en daar verschijnen de dragers met de kist. Opa!!! Ik zie mijn vader, moeder, ooms en tantes, mijn broers en oudste zus, iedereen loopt daar! En ik? En wij? En ik? Wat! De hel breekt los en José en ik gaan  staan rammen op die ruit. En …..dat haalt niets uit. Woedend ben ik en wat voel ik me belazerd, al is dat niet de vertaling van een driejarige.( Ik haal het gevoel nog steeds heel gemakkelijk terug).  Ik ben er van overtuigd dat als José en ik gewoon bij de uitvaart waren geweest dan was er punt 1 niets gebeurd, behalve dat we af en toe ‘sssst’ te horen hadden gekregen, en ‘zit stil’, en punt 2, belangrijker, dan was die woede, dat ‘er niet bij mogen horen’ – gevoel, en belazerd worden, niet zo diep in de groeven van mijn ziel terecht gekomen.

Opa wordt begraven op het kerkhof bij de Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten-kerk, onze parochie-kerk. We bezoeken de jaren erna vaak zijn graf. Een paar jaar later, december 1956, wordt mijn vriendje van school, Nolly Rootlieb, vlakbij hem begraven en voor mij ontstaat er iets tussen die twee. Opa waakt over hem. Zo beleef ik dat.

Naïviteit

Het lijkt misschien iets futiels, deze ervaring. Het lijkt haast niks, te kinderachtig om op te schrijven?

Het is bijna Sinterklaas 1961. Bij ons thuis is dat elk jaar een bijzonder feest. Pakjesavond is steeds supergezellig en spannend. Spannend? Ja, als je in Sinterklaas gelooft. En dat doe ik. Nog. Nog. Nog steeds. Nog steeds? Mijn vriendjes in de straat beweren dat het allemaal niet waar is, Sinterklaas bestaat niet, is een verzinsel. Maar, mijn ouders, mijn moeder, hebben plechtig gezegd dat Hij bestaat. En mijn moeder zegt de waarheid. Altijd. Toch? Mijn vriendjes lachen me uit, en uit, en uit. Ik geloof heilig in mijn moeder!

Na het eten, iedereen zit nog aan tafel, sta ik naast mijn moeder die aan het ‘andere’ hoofd van de tafel zit, (aan de kant van de keuken natuurlijk he…) en vraag haar: Mama, Sinterklaas, die bestaat toch, he? Of….niet….? En dan zegt mijn moeder, met hoorbaar ‘ bezwaard gemoed ’:’ Nee, Ronnie, Sinterklaas bestaat niet en ‘ .  Wat ze daar allemaal achteraan zei komt niet meer binnen. Wat voel ik me belazerd, en wel door mijn moeder die ik zo had geprezen en verdedigd naar mijn vriendjes. En nu moet ik mijn vriendjes onder ogen komen. Wat zullen ze me belachelijk vinden dat ik als bijna 12 jarige nog steeds gelovig was. Afschuwelijk. En mama, is er nog meer dat niet waar is? En waar je me bij in de waan laat? Weet je wat? Ik word op mijn hoede. Betrouwbare mensen zeggen niet steeds de waarheid als ze denken je met een onwaarheid een plezier te doen. Later zal ik dit fenomeen tegenkomen op de verpleegafdeling waar men kankerpatiënten niet vertelt dat ze binnenkort doodgaan.

 

 

 

 

 

 

CVA
Het is 1962 als ik de Lagere School verlaat, ik ben 12. Ik ga naar de St.Jeroen Mulo. Die zomer wordt de huiskamer thuis verbouwd.  Een bende is het. Schuifdeuren eruit en een haard geplaatst. Wel mooi geworden. Pa werkt zich rot, samen met een kameraad van hem.  Later dat jaar gebeurt het:  papa krijgt een hersenbloeding en we belanden in crisis. Mama wordt weliswaar in van alles bijgestaan, maar toch. Ik moet zeggen dat ik er niet veel herinnering aan heb. Het leven gaat verder. De ritten naar de Valeriuskliniek in Wassenaar, waar Pa enkele maanden verblijft, herinner ik me, maar dat Pa niet thuis was daar heb ik geen vervelende herinnering aan. Ik denk dat ik hem niet miste.

Vader doorstaat de bedreigende situatie en ‘herstelt’ zonder grote ingrepen. Hij kan wel veel minder hebben en de sfeer thuis is regelmatig erg gespannen en onveilig. Er zijn gelukkig ook momenten dat het wel losloopt en gezellig is. Maar er is voortdurende waakzaamheid nodig. In zo’n sfeer doe je je best om het wat stabiel te houden.  Maar ja, er wordt geleefd, gepuberd, van alles, dus ja…

Het zal 1964 zijn  geweest dat ik samen met zus Jose naar Bloemendaal ga, naar de woning van behandelend geneesheer Dokter Uiterwaal. Het gaat thuis bergafwaarts met Pa. Ruzie, en nog eens ruzie. Het is een dinsdag- of woensdagavond half acht en de dokter kijkt verstoord dat we zijn adres gevonden hebben en nu voor zijn deur staan. We doen ons verhaal en vragen hem om hulp. Hij kijkt ons aan en zegt iets als: ‘Jullie moeten gehoorzaam zijn en je gedragen. Jullie vader kan een tweede bloeding krijgen en dan is dat mogelijk jullie schuld!’

En daarmee dropen we af en gingen weer naar ‘huis’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onveilig.
Mijn vader kon uit het niets opeens boos worden. Wat hij zeker niet op prijs stelde is als ik zijn gereedschap gebruikte. En ik hield van constructies maken, zoals ophaalbruggen. En ja, dat vraagt om hamers en spijkers, etc. Op tijd de boel opruimen voor hij thuis kwam was het beste dat je kon doen.

Nu, achteraf, denk je, goh jammer, we hadden ook samen iets kunnen  maken, of je had me iets kunnen leren. Maar Pa was voorzitter van de voetbalclub en stencilde thuis de clubkrant die we met z’n allen moesten vouwen.  Dat soort zaken had al zijn aandacht.

Pa hield ook duiven. Dat was wel iets om te delen. We hadden ieder onze eigen duif. Mijn duif ‘Ronny’ heb ik dan ook teder in mijn handen gehad. Dat waren dan leuke momenten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doorbraak

Mijn moeder is weduwe en woont nog in ons ouderlijk huis in Haarlem. Ik ben bij haar op bezoek en zo ook mijn broer met vrouw en vrolijke kinderen. We zitten aan tafel, mama heeft eten gemaakt en dat is meestal eenvoudig maar lekker en voedzaam. Mama is hardhorend. Dat zit in de familie, aan haar kant. Mama kan niet alles volgen van wat er aan tafel gezegd wordt. Wanneer zij op een gegeven moment vraagt wat er gezegd wordt dan houdt mijn broer haar behoorlijk voor de gek en zegt totaal iets anders, waarop er door de anderen gegiecheld wordt. Oma wordt voor de gek gehouden, en dat is wel lachen natuurlijk. Dat oma dat voelt en niet weet hoe zich op te stellen en stil wordt, zwijgt, en erover heen gaat met wat anders, tja. En ik ben zo weinig stoer om er ter plekke iets van te zeggen. Slappe knul. Maar het verbaast me ook, het gebeurt zo onverwacht. Ik ben meer met stomheid geslagen dat mijn broer dat doet en zo houdt.
We lullen wat verder. Want echte dingen worden er niet gezegd. En we houden het ‘ gezellig’.

Een week later ben ik bij mijn moeder op bezoek. Ik woon in Nijkerk en dat betekent een behoorlijke autorit. En we praten samen wat, over koetjes en kalfjes. Zo komen we de tijd wel door. We praten wel maar zeggen niks. Ik weet het onderwerp niet meer, maar ergens in dat gebabbel maakt mijn moeder een nogal normatieve opmerking over scheiden of iets dergelijks. Dat komt voor mij dichtbij, want ik ben getrouwd met een eerder gescheiden vrouw. Maar ik maak er geen botsing van, moeder is een oud mens, dus, laat nou maar. En een half uur later ga ik naar huis.

Ik ben in Nijkerk terug en het zint me niet. Als dit het is, dan hebben we niet meer dan een lul-contact. En behalve dat ik dat zonde vind van mijn inspanning, tijd, kilometers maken, vind ik het nog het ergste dat je elkaar dan eigenlijk kwijt bent. Dus ik neem een besluit.

Haarlem. Ik ben weer op bezoek. ‘Mama, ik wil je wat zeggen. Eigenlijk wil ik dat je een keuze maakt. De vorige keer….’en ik vertel haar wat ik aan de vorige keer ervaren heb. ‘En de keuze die ik je wil voorleggen is dat het aan jou is, mama, of ik hier kom om alleen maar te lullen of ik kom hier ook voor echte gesprekken en een echte ontmoeting, maar dan zeggen we ook alles oprecht tegen elkaar. En dan daarnaast lekker lullen, want dan is er ook een fijne basis. Je mag het zeggen. ’

Daarop barst mama in snikken uit en ze vraagt me om asjeblieft echt te blijven praten. Ze zegt dat ze het weet, dat het zo vaak loopt, omdat ze bang is om alleen te blijven. En ze weet dat juist dat haar zo alleen maakt. Dus, kom maar, laten we ons uitspreken.

We hebben nog heel lang goede echte gesprekken gehad. Over alles. Met wederzijds respect, wederzijdse empathie.

Jaren later, toen zij en doof en blind was geworden zitten we samen op een bankje in Finspong, een zorgcentrum voor die doelgroep in Zeist. Tijdens onze gesprekken stel ik regelmatig vragen over vroeger. Er zijn periodes waarvan ik weinig weet wat er feitelijk in ons gezin aan de hand was.  Haar miskramen,  een postnatale depressie en haar opname in een rusthuis, mijn gedwongen verblijf bij een tante in België, mijn vader….  Als ik haar weer eens vraag naar die periode, dan wordt het stil.

Na enige tijd zegt ze: ‘Ron, kunnen we afspreken dat dit jouw laatste vraag is over vroeger….?’ Zij wil er niet meer naar toe terug. Dit was het. Leef de vragen. Nu is nu. Einde verhaal.

‘Dat is goed, mama. Helemaal goed. ‘ En we zijn samen stil. ‘Ik hoor een merel’, zegt ze. En we genoten samen. Een merel staat voor ‘thuis’.

 

 

 

In ‘Prelude’ zijn het verhalen van de periode voorafgaand aan die van mijn beroep als leraar en later trainer in de zorg.  Het zijn deze verhalen die mij hebben gevormd.

Lagere school De Periode

Lagere School  De Periode

Het is 2023 als Frans, José en ik naar Haarlem gaan. We doen jaarlijks met elkaar een Stedentocht. Bezoeken gedenkwaardige plekken, een museum, eten gezellig ergens en praten onderling wat bij over hie het ons nu gaat. Deze keer is het Haarlem, waar een groot deel van onze gezamenlijke geschiedenis ligt. We lopen in Haarlem-Noord en gaan langs onze Lagere Scholen of wat er al of niet van over is. Elk van ons heeft verhalen en herinneringen aan zijn of haar school. Op een gegevn moment komen we langs de Kardinaal de Jongschool. Het gebouw staat er nog en doet nu dienst voor een ander soort opleiding. Omdat het een doordeweekse dag is zouden we naar binnen kunnen en ik krijg die vraag van José, maar iets in mij wil dat helemaal niet. Het voelt onaangenaam. Het bezorgt me een oud, verdoofd gevoel. Zo van: ik heb daar nooit willen zijn.

Er zijn een paar foto’s uit die tijd, maar super weinig. Ik herinner me een foto dat ik met een klasgenootje in het zand voor de in aanbouw zijnde school zit te spelen. Het is Rudi Walkotte en we zitten allebei in de tweede klas bij juffrouw Gemke. Dat moment staat ook in mijn geheugen gegrift, waarschijnlijk ook met hulp van die foto. Ik herinner me dat Rudi verdrietige sfeer om zich heen droeg. Zijn vader was overleden. Het zal rond 2015 geweest zijn dat ik ene Ruut Walkotte op Facebook tegenkom. Ik maak kontakt met hem en stuur hem de foto. Hij is het. Wij zijn het. We hebben nog steeds kontakt via Facebook. Erg leuk. Hij woont zijn hele leven lang al in Haarlem, in dezelfde straat als vroeger.

Verder herinner ik me Jan Kooper, een vriendje van me weliswaar, maar ook dat hij mij ongenadig behoorlijk in mijn maag stompte toen hij mij blijkbaar irritant vond. Ik zal het bverdiend hebben.

De Zwarte Pieten op het dak van de noodbouw, waarbij ik toch echt een wiite hand in die zwarte zandschoen zag, potverdorie!

Hoofdmeester Houthuijsen die jarig was en elke klas rond ging om kadootjes op te halen en waarbij ik het gewaagd had wat luciferkoppen in de kado-sigarettten te steken. Hij kwam later in de klas verhaal halen en wilde weten wie dat op z’n geweten had. Toen ik uiteindelijk mijn vinger opstak zag ik de zogenaamd boze, maar vooral verbaasde blik in zijn ogen. Achteraf reflecterend en fantaserend denk ik dat hij het eigenlijk heel tof gevonden moet hebben dat dat brave, wat kleurloze, jongetje Overtoom dat ‘gedurfd’ had. Dat had hij niet verwacht.

Een sterke herinnering is het verhaal rondom Nolly Rootlieb. Eén van mijn vriendjes van de eerste klas. We zaten toen op de Bavo-school. Komt ie:

Het is september 1956 en ik ga op school, de St.Bavo Lagere school in Haarlem, waarvan ik later besef dat mijn broers, Ton, Ruud en Frans, me daar voorgingen.
Mijn juf is mevrouw Kampmeier. Een kleine, rondborstige, vriendelijk ogende moeke.
Ze is heel geruststellend, aardig en betrouwbaar. Ik voel me bij haar op m’n gemak.
In november wordt Nolly Rootlieb, een roodharig jochie uit mijn klas, overreden bij het oversteken van de Rijksstraatweg, als daar de stoet van Sinterklaas aan komt rijden.
Hij overlijdt.

We zijn allemaal erg aangeslagen en geschrokken. Nolly krijgt een ‘engelenmis’. Daaraan voorafgaand gaan we met de hele klas in een stoet naar zijn huis in de Vogelenbuurt. Hij ligt opgebaard links in een hoek van de huiskamer en ik zie zijn moeder rechts staan. Rood haar en heldere blauwe ogen. Zo blauw als ik die later zou zien in de film van de Titanic.
Wat ik toen nog niet kon vermoeden is dat ik haar later zou opzoeken. Daarover later meer.

Nolly wordt begraven op het kerkhof van de O.L. Vrouw van Zeven Smarten kerk in Noord, en hij ligt vlak bij mijn opa Bijrij, vader van mijn moeder, die in 1953 overleed.

Door het toenemende aantal kinderen na de oorlog in Haarlem Noord wordt er een nieuwe school gebouwd, de Kardinaal de Jongschool aan de Jan Gijzenkade. Een heel stel jongens van de St.Bavo Lagere School moeten over naar die school. Ronnie Overtoom ook. Ik vind het geen fijne overstap. We belanden in de noodbouw, want de echte school is nog niet klaar.  De juf van de eerste klas gaat niet mee. Er is niks vertrouwds. Meester Houthuijsen is het schoolhoofd. Een forse, lange, vaak boos-kijkende man met een kop zwart haar en grote tanden.

Ik denk dat we in het begin van de tweede klas even een inval-juf hebben gehad. Op een gegeven moment komt meester Houthuijsen de klas in en hij spreekt ons ernstig toe. Hij vertelt ons dat we juffrouw Gemke krijgen. Juffrouw Gemke is lange tijd ziek geweest en komt nu weer terug. En wee ons gebeente als wij haar weer ziek zullen maken…..!!! Dan zwaait er wat, dat kan je aan de meester met z’n boosaardige ogen wel zien. Juffrouw Gemke wordt gepresenteerd. Zo te zien is er niet veel voor nodig om haar ziek te maken: een grijze, grauwe, magere vrouw met ook al grijsgrauwe spillebeentjes, een veel te grote bril op het vaalbleke hoofd en enkele lokken dun grijs haar. Ik zit op de eerste rij voorin, vlakbij haar, het is dus oppassen geblazen.
We komen het jaar heelhuids door. Maar ik leer daar de boodschap: je wordt mede-verantwoordelijk gehouden voor de gezondheid (en mogelijke versnelde dood?) van een kwetsbare oudere, dus: dimmen! Inhouden! Aanpassen!

Ik heb op school geen leuke jaren. De derde klas is voor meester Thom Snijders. Een bravoure-mannetje, die het vooral leuk vindt om zijn stoel op de lessenaar te zetten en zo zijn volk te overzien en te imponeren. Hij kan wel aardig voorlezen, maar ik zit al in mijn schulp sinds het begin van de tweede, bij Gemke en ik kom daar zo ook niet meer uit.

Vierde klas. Ton Stevens. Een klootzak van de eerste orde. Hij gooit borstels en krijtjes naar z’n leerlingen en kan heel gemeen doen en kijken. Hij trekt je aan je oren voor de klas en dat is behoorlijk pijnlijk. Mij spaart hij ook niet. Ik schrijf per ongeluk ‘trug’ in een opstel, in plaats van ‘terug’, en word voor de klas voor joker gezet. Doordeweeks is hij mijn meester en in het weekend is hij mijn a.s. zwager. Ja Ans, mijn knappe oudste zusje,  is favoriet bij sommige meesters op school. Ze gaat zo’n drie jaar met me mee zowat: Snijders bla bla vindt haar aardig, Stevens wordt haar verloofde en Loek Garsten, meester van klas 5, informeert regelmatig en blozend bij me en, naar hoe ik de signalen nu als volwassen man kan interpreteren, hij lijkt verkikkerd te zijn op haar, maar ja, ze valt op Stevens. Garsten was best een aardige en warme man. Keuzes…

In de door mij bewaarde schoolrapporten kun je waarnemen dat het mij minder goed gaat vanaf klas 4. Ik heb niet de indruk dat het ook maar iemand is opgevallen en dat het vragen opgeroepen heeft over de positie waar ik in zat. Niemand heeft zich waarschijnlijk afgevraagd in hoeverre het gepast is om de verloofde van mijn zus mijn schoolmeester te laten zijn en of ik daar last van had de ja of de nee.

Later, het is nu 2026, als ik de beschadigingen, die ik in mijn leven heb opgelopen, onder de loep neem en ze uitspreek krijg ik de reactie: Ja, dat was toen gewoon zo….Alsof het daarmee gladgestreken zou moeten en kunnen worden. Voor mezelf is dit een moment waarop ik het kind in mij begrijp dat zegt: ik word – alweer- niet gezien. Zulke opmerkingen van anderen worden gemaakt vanuit de ratio, vanuit een rationeel weten dat het niet opgelost kan worden. Ik weet ook wel dat het ’toen’ niet zo was en dat een kind dat niet hoefde te verwachten van zijn ouders, maar daarmee is het nog wel een eenzaam en verdrietig deel van me.

Het hoeft ook niet opgelost te worden. Maar wel erkend! Met een onderstreping van hoe dat gevoeld zal hebben en soms nog voelt. ‘Klote voor je, eigenlijk. Je was daar verdomd eenzaam.’ Zulke woorden zouden voldoende zijn om een brug te slaan.

Het gegeven dat Stevens tegelijk verloofde en meester was kan zelfs door mijn ouders als ‘heel voornaam’ zijn beleefd. Een meester was niet niks.
Zijn aanwezigheid bij ons in huis voelde unheimisch. Hij kon, om te demonstreren dat hij ook wel gewoon met me kon spelen, me achtervolgen op de trap. Ik herinner me zijn blik, ook toen hij mijn afwijzing opmerkte. Verbolgen was hij, koud. Dat mocht ik op school dan weer ontgelden.

Ik herinner me een moment dat ik absoluut niet naar school wilde. Mama wist ook niet wat ze met me aanmoest en liet me de hele school-ochtend op het muurtje van de bloembak voor ons voorraam zitten. Ik heb daar uren stil in m’n eentje zitten zitten. Maar alles beter dat naar die school moeten.