Zand

Met ogen, onrustig zoekend en turend In de verte, was ik op weg,
want ik wist dat achter de horizon geluk te vinden was.
Daar moest en zou meer schoonheid zijn.

Ik had het kind niet gezien,
want ik tuurde in de verte.
Het zat opeens vlak voor mij in het zand.
Ik zag haar ogen. Ze glunderden.

Ze pakte een handje zandkorrels
en liet het zand tussen haar vingertjes
meegaan op de vleugels van de wind.

‘Zand”, zei ze.
En nog een handje zand.
‘Mooi’.

Sprakeloos keek ik naar het kind,
dat de korreltjes zand in haar handjes met gelukkige ernst bekeek.
Ik tuurde naar de horizon en voelde me moe.
Ik deed mijn rugzak af en ging naast het kind zitten.
Het zag mijn handen gevuld met….
‘Jij ook zand, mooi?’

Ik ook zand, mooi
en we speelden.