Strandwacht

Strandwacht

Het is een bloedhete middag en Huijer en ik staan bij het strand van Bloemendaal/Zandvoort, omdat de afspraak is dat daar een ambulance hoort te staan om in geval van nood meteen te kunnen handelen. We staan er dan ook al de hele middag en op wat klein EHBO-werk na is er niets te doen geweest.
Het is Tweede Paasdag 1973. Het lijkt wel alsof half Haarlem en omgeving naar het strand gegaan is, zo druk is het. Het ziet in ieder geval zwart van de mensen.

Het loopt tegen vieren en onze dienst zit er bijna op. Veel strandgasten hebben al hun auto opgezocht en willen voor de drukte uit naar huis toe. Verstandig natuurlijk. Ze sluiten achteraan in de file naar Haarlem aan.

‘Zeg Ron’, zegt Huijer opeens tegen me. We zitten in de cabine van de ambulance te druppen.
‘Ja…?’ , reageer ik.
‘Jij hebt toch een afspraak om half vijf in Haarlem?’
‘Nee hoor, ik heb geen afspraak’.
‘Jawél, die heb je wél!’ zegt Huijer nu, terwijl hij me quasi serieus en een tikkie ondeugend aankijkt vanachter z’n grote brilleglazen in gouden montuur.

Ik begin het nu te snappen en speel het spel mee.
‘Ja natuurlijk, glad vergeten, dat is ook zo!’

‘Dacht ik’, zegt Huijer en start de ambulance. ‘Dan moesten we maar eens gaan zorgen dat we dat halen.’  De ambulance komt in beweging en Huijer drukt op DE twee knoppen.
De ene is voor de blauwe zwaailichten, de andere voor de sirene.

De Zeeweg staat compleet vast met al het naar huis terugkerend volk. Het is éen file, de hele Zeeweg, zo’n 7 kilometer lang, van onze standplaats tot aan Haarlem.

Zoals het hoort gaat iedereen voor een ambulance met signalen opzij. Men rijdt de berm in of gaat dicht op de buurman staan. Het gaat hier en daar niet zonder het nodige getoeter en minder aardige gebaren naar elkaar. Toch zijn wij best snel bij de rotonde aan de grens met Overveen. Op de rotonde staat een agent het verkeer te regelen. Als hij ons ziet en hoort aankomen stopt hij met groot vertoon al het andere verkeer en gebaart ons dat we veilig door kunnen. Dat doen we. Als we bij Haarlem zijn neemt Huijer gas terug, zet de sirene af en wat later gaan de zwaailichten uit.  Als het andere verkeer ons wat bevreemd bekijkt houden we ons gezicht in een professionele plooi. Zo van: dit gebeurt binnen ons werk nou eenmaal. Meldingen worden soms in getrokken.
‘Weet je, Ron. Het lijkt een kwajongensstreek. Maar met je ambulance achteraan de file aansluiten is het ook niet. Dan is de ambulance niet beschikbaar als we ergens dingend nodig zijn.’

‘We zijn er weer’, zegt Huijer even later. ‘Even afmelden en naar huis. Doe ik wel. Tot morgen! ’

Het is half vijf. Ik ga naar huis.