Zoon
Ook deze ervaring is er éen die te maken heeft met ‘maximale benadering met behoud van distantie’, de gulden regel voor de professionele afstand die je als hulpverlener moet aanhouden ten opzichte van hulpvragers.
Het is altijd zo dat je in de functie van hulpverlener zélf instrument bent. Je bent geen apparaat, geen machine, die functies en taken uitvoert zonder er als persoon bij betrokken te zijn. Dat betekent dus ook dat je gaandeweg in de uitvoering van het vak door moet krijgen wat je Zelf allemaal meeneemt aan geschiedenis, aan verlangens en behoeften. Om je niet te laten meeslepen door eigen drijfveren, al of niet door de patiënt* of situatie aangewakkerd. Je moet daar gevoel voor krijgen, en verstand van krijgen, en zicht op krijgen. Zelfreflectie is een must. Intensieve zelfreflectie. Al of niet onder begeleiding van een deskundige op dat gebied.
Kan dat ‘in vervoering raken’ door iemand, door een patiënt, altijd kwaad? Nee. Ik vind zelfs dat geraakt worden door iemand, die je zorg nodig heeft, veel bijdraagt aan je mate van betrokkenheid en inzet. Ik gun mezelf straks ook betrokken, liefdevolle, gepassioneerde mensen om me heen. Voorwaarde is, dat ik nog steeds kan vaststellen dat het om míj gaat en om hoe ík de dingen het liefste wil, zolang dat nog kan. Zie hier ook mijn tekst op ‘Laat me’, dat ik schreef voor mijn lessen over het omgaan met mensen met dementie, te vinden op ‘Bijlagen’.
Mijnheer Haver heeft uitgezaaide alvleesklierkanker. Zo. Dat is eruit. Hij heeft, samen met zijn vrouw, besloten om zich niet te laten behandelen, als dat al mogelijk zou zijn bij deze aandoening. Weinig tot geen kans van slagen. Geen kans bij hem. MIjnheer Haver wil graag op waardige wijze aan z’n eind komen en vindt niet dat hij overmatig moet hoeven lijden aan de gevolgen van de ziekte. Anno 1974 wordt er behoorlijk heimelijk gedaan over iets als euthanasie. De wet luistert nauw en medici zijn op hun hoede niet over de wettelijke schreef te gaan.
Ik ben graag op de kamer bij mijnheer Haver. We hebben fijne gesprekken en gaan de moeilijkste thema’s niet uit de weg. Hij vindt me sympathiek, dat merk ik en dat zegt hij.
‘We hebben zelf geen kinderen’, zegt hij. ‘Dat was ons niet gegeven’. ‘En als ik er wel éen had gehad, dan had ik graag een zoon gehad zoals jij. Ik mag je erg graag’.
‘Dat is dan geheel wederzijds, mijnheer Haver. Ik vind u erg sympathiek en kan waarderen hoe u uw lijden draagt. ‘
“Daar doen jullie ook aan mee’, zegt hij, waarbij hij doelt op de injecties pijnstillers die hij door ons krijgt toegediend.
‘Kijk, daar heb je ‘m ‘, zegt hij tegen zijn vrouw als ik de kamer opkom en zij bij hem is. Het maakt me verlegen en trots tegelijk. Dat gevoel dat je werkelijk iets voor iemand betekent, dat je ertoe doet. Dat is fantastisch. Als het waarachtig is. En dat is het.
De frequentie van het geven van pijnstillende injecties mag vanaf vandaag door mijnheer Haver zelf worden bepaald. De arts laat het aan hem over. In die zin, als mijnheer zegt ondraaglijke pijn te hebben, dan mag hij om een injectie vragen.
Als ik na een vrije dag terugkom tref ik een leeg bed. Ik moet even slikken. Minstens.
Het zal een jaar of drie later zijn als een mevrouw me in Haarlemse binnenstad staande houdt en zegt: ‘Jij bent toch Ron?’. Ik herken haar niet éen, twee, drie…’Ik ben mevrouw Haver’. En meteen gaat dat luikje open. Ze bedankt me alsnog hartelijk voor de fijne zorg en herinnert me eraan dat haar man erg op me gesteld was, als was ik een zoon voor hem. We delen de wederzijdse sympathie en schudden elkaar de hand als afscheid. Het ging haar gelukkig goed. Het waren altijd al mensen om het Leven te omarmen.