Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!
De zorg is lichtelijk ten einde raad. Mevrouw krijst het uit van narigheid, zit op de rand van haar bed en roept voortdurend en keihard: ‘Ik wil dood! Ik wil dood! Ik wil naar de hemel’
Het is vroeg in de ochtend als ik met de auto aankom bij het verpleeghuis waar ik trainingen geef in het maken van kontakt met bewoners. We drinken eerst een koffie, de manager van de afdeling en ik, en spreken de zaken door. Waar ga ik me die ochtend vooral op richten? Het is ‘praktijk-ochtend’. Dat betekent dat ik meeloop in de zorg met de verzorgenden / cursisten en met hen meekijk hoe je de in de theorie aangeboden handvatten kunt toepassen in de praktijk. Ik herinner me uit de lessen vooraf nog hoe verzorgenden me aankeken met een gezicht van: mooi verhaal, maar moet het nog zien…. Dat is ook voorstelbaar, want er zijn in de praktijk veel situaties waarin de zorg ploetert en maar niet voor elkaar krijgt wat men wel zou willen. En de druk is groot. Er is veel basiswerk te doen, waardoor het maken van kontaktmomenten al gauw een luxe lijkt te worden. Het kost me dan ook vaak de nodige moeite om de zorgverlener zover te krijgen dat hij/zij de moed vat om zaken anders te zien en aan te pakken. Zelf ben ik ervan overtuigd dat deze manier van omgaan met bewoners je juist tijd gaat schelen, als het al om tijdwinst moet gaan. Het is namelijk heel basaal. Als mensen zich niet begrepen voelen door een ander mens, dan worden ze vaak afwerend, bokkig, hoekig, boos, etc. Heeft u dat nou ook?
De mevrouw de Haas is nagenoeg onbenaderbaar. ‘We komen er maar niet doorheen, ze gaat maar door met haar ‘Ik wil dood’, aldus de verzorgenden. Dat ‘er doorheen komen’ betekent voor de zorg vaak dat zij hún ding willen kunnen doen, namelijk wassen, aankleden, etc. en dat de bewoner daar niet voor te porren is. In mijn lessen probeer ik de verzorgenden duidelijk te maken dat mevrouw op haar beurt waarschijnlijk precies hetzelfde beleeft: ‘Ik kom er maar niet doorheen’ (zodat ze me eindelijk snappen!) Mevrouw is in haar wereld en wij in de onze. Het gaat er niet om om er ‘doorheen’ te komen, maar om aan te sluiten in haar wereld’.
De verzorgende komt vragen of ik mee kan gaan naar mevrouw de Haas om eens mee te maken en om eens te kijken wat er anders kan.
En inderdaad. Mevrouw de Haas zit op de rand van haar bed, roept en krijst het uit.
‘ Ik wil dood! Ik wil doooooood!’ en zij is in deze stemming helemaal niet bereid of in staat om zich te laten helpen met wassen en aankleden.
‘Zo gaat het altijd’, zegt de verzorgende die meegelopen is en naast me staat. Ik sta schuin achter mevrouw de Haas en ben nog nét bij haar in beeld, maar niet nadrukkelijk. Voor mevrouw staat Fatima, ze staan een meter bij elkaar vandaan. Ik ken haar van de cursus. Fatima is éen en al bereidheid, maar oogt onmachtig. Ik knik en vraag haar: ‘Doe wat je altijd doet?’
‘Ik wil dood! Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!’ roept mevrouw de Haas.
‘Mevrouw,’ zegt Fatima, ‘ daar kan ik u niet bij helpen!’ En dan:’ Ik ben hier en ik ga u verzorgen, rustig maar, het komt goed…’
‘Ik wil dood! Ik wil dood! Ik wil naar de hemel!’
Dan fluister ik Fatima toe: ‘Fatima, stel eens een open vraag aan mevrouw? Je weet wel, die vragen die beginnen met Wie, Wat, Waar, Wanneer of Hoe….’
Fatima denkt en ik zie haar werken. En dan opeens komt zij op die prachtige vraag:
‘Mevrouw, wie is er in de hemel?’
Stilte. De spannende stilte die er is tussen de bliksemschicht en de donder. En dan de ontlading:
‘ Mijn man! En mijn kind! Ze wachten op me! Ik moet er naar toe!!!!! ‘
Wat daarna volgt is een prachtige, lieve, warme golf van het uiten van beripvolle
woorden door Fatima, waarop mevrouw weer reageert.
Ze geeft het woorden als: Ach mevrouw, wat mist u ze! En wat zullen ze u missen. U wilt er zijn voor uw kind, het heeft u nodig. U bent zo’n lieve moeder. Ze zijn in de hemel. Ik weet zeker dat God goed voor ze zorgt! en zo gaat zij verder. Fatima groeit, is ontroerd, ze is ‘binnen’ bij mevrouw en mevrouw is zo ontzettend blij met haar. We zijn er getuige van dat mevrouw ontspant in haar verdriet, op bed gaat liggen, uitgeput en in overgave. En…. wil slapen. Fatima dekt haar toe en we laten haar. Ze slaapt een gat in de dag.
En nu ‘ is dat gedrag weg? ‘ Mooi niet. Het is er een volgende keer nét zo hard weer. Het is háár thema. Alleen dan zou je kunnen weten dat je een alternatief hebt en dat je haar een omgeving kunt bieden waarin zij het gevoel heeft begrepen te worden.
Daar draait immers alles om bij mensen. Dat er mag zijn wat er is, dat je mag zijn wie je bent.