Gekleurde kraaltjes
Huijer en ik hebben nachtdienst. ’s Nachts is het afwachten of er ergens een calamiteit is waar je op af moet. Er zijn geen ritten om mensen van en naar ziekenhuizen of onderzoekscentra te vervoeren. Dus we lezen wat in bladen, kranten, drinken koffie en poetsen wat aan de wagens. We kletsen over waar we mee bezig zijn in ons leventje. We kunnen elkaar goed hebben.
Het zal zo rond 02.00uur zijn als de Brandweer alarm doorgeeft. Er is iemand neergestoken in een kroeg. In no time zitten we op de wagen. We voeren geen sirene als dat niet beslist nodig is. Ik vind het indrukwekkend hoe knap Huijer rijdt en de wagen door bochten manoeuvreert terwijl de blauwe lichten om ons heen dansen.
We zijn bij de kroeg. Die is nagenoeg leeg. De barman is er en hij vangt ons bij de ingang op. ‘Haast u maar niet, want het is goed mis’.
Links op de vloer van het licht-gedimde etablissement ligt een jonge knaap in een grote plas bloed. We komen wat dichterbij en ik zie de snee in de hals van de jongen. Blijkbaar had hij een kettinkje om zijn nek gehad met allemaal helder gekleurde kraaltjes. Die liggen nu allemaal als een streng in de wond. Bizar gezicht.
‘Wat is er gebeurd’, vraagt Huijer. ‘Ruzie om een meisje en toen sneed die vent die jongen z’n keel door met een tosti-mes,’ zegt de barman.
We moeten wachten op de recherche. De dader is al door de politie meegenomen, maar er moeten nog officieel sporen worden veiliggesteld.
Als de recherche binnenkomt lijkt het wel alsof ik in een politiefilm ben beland. Het is écht zo: rechercheurs dragen lange jassen van grijsgrauwe stof, hebben de kraag omhoog gevouwen….een gleufhoed op….Ik weet niet wat ik zie. Da’s waar ook. Ik ben echt in een politiefilm beland.
‘Twee cola’, zegt de ene rechercheur tegen de barman, terwijl beide heren zich op een barkruk hijsen. De barman schenkt twee cola in en zet ze op de toog. Als de cola opgedronken is lopen ze even naar het levenloze lichaam van de knaap en stellen wat zaken vast.
Voor zover ik me herinner vervoeren we de jongen daarna naar het mortuarium. Of dat gebruikelijk is of een uitzondering, dat een ambulance een dood mens vervoert, dat weet ik niet meer.
Onderweg in de wagen hangt er een massieve stilte. We verwerken het ieder op onze eigen manier.
Later die nacht brengen we een klein kind met koortsstuipen naar het ziekenhuis. Als dan Huijer aan de nachtzuster daar begint te vertellen ‘wat we nou toch meegemaakt hebben vannacht’ en over de gekleurde kraaltjes begint die zo keurig….dan wordt het zwart voor mijn ogen en ga ik tegen de vlakte.
Het een plek geven doe ik in mijn eentje.