Boek voor het leven

Boek voor het leven

 

Boek Structuur

 

Met dank aan o.a. de volgende personen die in mijn leven een rol van betekenis hebben gespeeld en daarmee hun bijdrage hebben gehad aan mijn verhaal en aan de verhalen die ik kan doorvertellen.

Astrid, Daan, Thijs, Wouter, Marianne, Ton, Riet, Ans, Jos, Ruud, Frans, Jose, Rike, Netty, Sylvia, Monique, Rob, Ide, Bob, Theo, Hanneke, Paul, Ge, Nico, Henk, Paul, Bart, Gea, Nelleke,

 

Thema’;s  Omdenken, Klaslokaal ik woon hier niet en ik weet dus niks van deze buurt

Ik spaar capsules

Stofzuigerslang

 

Daar kom ik niet voor.koorlid overleden.

 

Nolly

Lopen lopen lopen, mijn man herkent me niet, hij valt in slaap als ik er ben.

 

Marleen Karstens

 

 

In ‘Prelude’ zijn het verhalen van de periode voorafgaand aan die van mijn beroep als leraar en later trainer in de zorg.  Het zijn deze verhalen die mij hebben gevormd.

 

 

 

 

 

 

Alles is materiaal

 

Machteloos

Het zal iets van herfst 1969 geweest zijn. Opeens zag ik haar op de stoep liggen. Generaal de la Reystraat in Haarlem. Het was al donker aan het worden en ik kon haar eerst niet duidelijk zien. Ik rende naar haar toe, knielde bij haar en wist niet wat te doen. Ik schatte haar midden zestig. Was ze bewusteloos of stervende? Ik schrok: was ze dood? Dwars op de straat was verderop een kruising met de Generaal Cronjéstraat. En daar staken steeds mensen over, winkelend publiek. Ik schreeuwde om hulp en kreeg al gauw in de gaten dat men dacht met een dronken kerel van doen te hebben. Uiteindelijk kwam er iemand omzichtig de straat in naar ons toe en begon anderen te alarmeren. Het was afschuwelijk dat ik niet in staat was  om ook maar iets zinnigs voor deze vrouw te kunnen betekenen. Misschien was ze met reanimatie nog gered? Maar dat kon ik niet. Bij aankomst van de politie bleek dat zij inderdaad was overleden. Waarschijnlijk was zij al dood toen ik haar vond. De politie noteerde mijn naam.

De volgende dag werd ik op school, de Kweekschool in Beverwijk, door de directeur uit de klas gehaald. Er was telefoon. Politie. Ze wilden het verhaal nog even doornemen en men bedankte me voor mijn …  ja. De directeur reageerde, terwijl hij alvast de trap in de school afliep en mij achter liet, wat verschrikt op de toon waarop ik in de hoorn uitsprak: ‘Ja, ik heb haar gevonden en ze was al dood.’ Ik herinner het me nog goed. De koele stelligheid van mijn woorden maskeerden eigenlijk mijn voelen. Ik mocht niet voelen, wilde niet voelen, de schrik, de confrontatie met de dood, mijn onmacht Iets in mij weigerde dat toe te laten. Niet voelen. Doorgaan.

 

Te klein

Ik was drie jaar toen mijn opa overleed. Hij woonde al een tijdje bij ons in huis en hoewel het een norse, stille man was, mocht ik hem graag.

Op de dag van de begrafenis, vanuit de kerk van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten in Haarlem-Noord, werden mijn twee jaar oudere zus Jose en ik achtergelaten in een lokaal van de kleuterschool voor de duur van de uitvaart. Men vond ons te jong om daar bij te kunnen zijn. Achteraf denk ik dat men mij te jong vond en mijn zusje met mij mee liet gaan, waardoor het verblijf in dat lokaal me minder zou opvallen. In ieder geval waren we daar samen te gast in een klas met kleuters. Wat een pech voor de familie, die dacht zonder ons opa ten grave te kunnen dragen: de supergrote ruit van het lokaal bood een pontificaal zicht op de kerkdeur van waaruit opa richting begraafplaats werd gedragen. En ja hoor. Opeens zwaait die kerkdeur open en daar verschijnen de dragers met de kist. Mijn vader, moeder, ooms en tantes, mijn broers en oudste zus, iedereen liep daar! Opa!! En ik? En wij? En ik? Wat!?  De hel breekt los en José en ik hebben met onze vuisten staan rammen op die ruit. En …..dat haalde niets uit. De juf hield ons daar vast. Woedend was ik en wat voelde ik me belazerd, al is dat niet de vertaling van een driejarige. Ik vermoed dat als José en ik gewoon bij de uitvaart waren geweest, dan was er waarschijnlijk niets gebeurd, behalve dat we af en toe ‘sssst’ te horen hadden gekregen, en ‘zit stil’, en , belangrijker, dan had die woede, dat ‘er niet bij mogen horen’ -gevoel, niet zo’n diepe groef in mijn ziel gemaakt.

 

Naïviteit

Het lijkt misschien iets futiels, deze ervaring. Het is haast niks, bijna te kinderachtig om op te schrijven.

Het is bijna Sinterklaas 1961. Bij ons thuis is dat elk jaar een bijzonder feest. Pakjesavond is steeds supergezellig en spannend. Spannend? Ja, als je in Sinterklaas gelooft. En dat deed ik. Nog. Nog steeds. Nog steeds? Mijn vriendjes in de straat beweerden dat het allemaal niet waar was, Sinterklaas bestond niet, was een verzinsel. Maar, mijn ouders, mijn moeder, had plechtig gezegd dat Hij bestond. En mijn moeder zegt de waarheid, is betrouwbaar. Altijd. Mijn vriendjes lachten me uit, en uit, en uit. Ik geloofde heilig in mijn moeder!

Na het eten, iedereen zit nog aan tafel, sta ik naast mijn moeder die aan het ‘andere’ hoofd van de tafel zit, (aan de kant van de keuken natuurlijk, hè?…) en vraag haar: “Mama, Sinterklaas, die bestaat toch, hè? Of….niet….? ’ En dan zegt mijn moeder, met hoorbaar ‘ bezwaard gemoed : ’ Nee, Ronnie, Sinterklaas bestaat niet en ….‘ .  Wat ze daar allemaal achteraan zei kwam niet meer binnen. Ik was geschokt. Wat voelde ik me belazerd, en wel door mijn moeder die ik zo had geprezen en verdedigd naar mijn vriendjes. En nu moet ik mijn vriendjes onder ogen komen. Wat zullen ze me belachelijk vinden dat ik als bijna 12-jarige nog steeds gelovig was. Afschuwelijk. En mama, is er nog meer dat niet waar is? En waar je me bij in de waan laat? Weet je wat? Ik raak op mijn hoede. Betrouwbare mensen zeggen niet steeds de waarheid als ze denken je met een onwaarheid een plezier te doen. Later zal ik dit fenomeen tegenkomen op de verpleegafdeling waar men kankerpatiënten niet vertelt dat ze kanker hebben en zullen doodgaan.

Hersenbloeding

Het is 1962, het jaar waarin mijn  vader onderuit ging, geveld door een hersenbloeding. Waarschijnlijk was er lange tijd sprake van verhoogde bloeddruk in combinatie met een te gespannen leven. Met een lange periode van rust komt er redelijk herstel en kan hij weer ‘alles’.

Pa is wel nog meer opvliegend dan daarvoor en dat ontaardt ook in agressief gedrag naar mijn zus en mij. Later dat jaar staan mijn zus en ik op de stoep van vaders neuroloog in Bloemendaal, dr. U.  We vertellen hem dat het thuis soms niet te harden is. Verstoord als hij is dat we hem thuis opzoeken zegt hij: ‘Jullie moeten je een beetje goed gedragen thuis, anders krijgt je vader een tweede bloeding en dan gaat hij dood.’ En dat was het. Een dergelijke boodschap, dat ik moet dimmen anders gaat er iemand dood, heb ik eerder gehad. In mij laait een woede op, ik ben me dat niet zo bewust, maar ik ga dit soort mensen haten. Volwassen mensen die iets mankeren en dat ik me koest moet houden, anders ben ik er verantwoordelijk voor dat hen iets overkomt.

Eerste camera.

We hebben er een tijdje voor gespaard, m’n vriendje Jos de Wilde en ik. Naast dat we op dezelfde middelbare school zitten hebben we beiden vaders die op De Spaarnestad werken, een drukkerij/uitgeverij in Haarlem. En die houden een actie. Je kan er tegen gereduceerde prijs een leuke interessante fotocamera kopen. De Lubitel 2. Een Rus! Dus dat gaan we doen. Ons beider vaders gaan dat binnen het bedrijf regelen. Het kan wel even duren. Wij in spanning natuurlijk.

Na een week of twee ontmoet ik een opgetogen Jos. ‘We hebben ‘m, hè!’  Ehm…. We?  Jos had ‘m. Ron nog niet. ’s Avonds aan tafel: ‘Pap? Jos heeft z’n camera binnen. Is de mijne er ook? ‘
‘ Nee, nog niet ’, zegt Pa. Kan gebeuren. De vaders werken waarschijnlijk op een andere afdeling en dan kan de levering ook net even anders lopen, logisch. Wachten. Het was een dinsdag of zo. Woensdag dan? Nee, nog niet, geen camera. Donderdag krijg ik de kriebels, ik heb de camera bij Jos al gezien. Echt te gek! ‘ Pa..?’   ‘ Nee, jongen, nog niet ‘.

Het wordt vrijdag. En dan ga ik snuffelen. Op de slaapkamer van mijn ouders. De linnenkast. Op de tweede plank van boven liggen de doopkaarsen van de kinderen bewaard te worden. Als er ooit iets verstopt wordt dan is het een beetje in die buurt. En waarachtig. Er ligt iets achter, ingepakt in pakpapier. Ongeveer zo groot als mijn nieuwe camera zou moeten zijn. Het zal toch niet? En warempel….het is mijn nieuwe camera. Waarom…waarom ….waarom ligt ie daar? Waarom zegt mijn vader niks?  Waarom liegt ie?
Ik leg de camera weer terug waar ik hem gevonden heb en ga naar beneden. Ik zeg niks, want het is verboden om ongevraagd in de linnenkast te komen.  Tussen de middag als mijn vader thuis komt eten, vraag ik naar de camera. ‘Nog niet, jongen, misschien morgen. ’ Als mijn vader zaterdag van zijn werk komt dan zegt hij dat mijn camera er is en dat we straks het pakje samen open gaan maken.
We zitten wat later samen op een bankje buiten in de achtertuin om de camera uit te pakken. Ik wil hem graag zelf uitpakken en in mijn handen houden. Wat? Ik popel!  Maar mijn vader doet dat ritueel. En mijn vader, sigaar in de mond,  bekijkt op z’n gemak alle knopjes en mogelijkheden van MIJN zelf-betaalde Lubitel 2. Ik wacht tot hij hem eindelijk aan me geeft. Ik word geacht samen met hem blij te zijn, maar ik ben het niet. Ik ben er stil van en trek me terug. Er is weer een bouwsteen toegevoegd aan mijn woede en ontluikende haat.  Zulke zaken uitspreken gebeurde bij ons thuis niet, daar gold een zwaar verbod op. De gevolgen daarvan konden vernietigend uitpakken. Dus laat maar. Ook mijn moeder vertelde ik het niet. Zij deed toch al alle moeite om de sfeer in huis draaglijk te houden.

Ik maakte mooie foto’s met mijn heerlijke camera, waarbij ik veel met Jos in Haarlem op pad ging. Met mijn vader heb ik geen enkele foto gemaakt. Hij vond wel mijn foto van het interieur van de Kathedraal St.Bavo in Haarlem erg mooi. En drukte hem voor zichzelf af. En hield het negatief. Ik zag het niet meer terug, het was kwijt.

Laat maar, stil maar. Gewoon niet meer delen en goed oppassen.

 

 

 

Nieuwe schoenen.

Mijn schoenen zijn versleten.  Ik loop voor gek. Nieuwe schoenen kosten gauw 30 gulden. In een tijd waarin we naar de goedkoopste kapper gingen, die het ook nog verboden werd om bij mij een kuifje te knippen (was 5 cent extra), was 30 gulden veel geld. ‘Ik heb het niet, jongen. Je moet er nog even op lopen.’ aldus mijn  vader. Ik ben boos, want ik draag een geheim met mij mee. Ik heb iets ontdekt over mijn vader. Hij betaalt geld aan een vrouw om haar te mogen fotograferen. Ik ben de enige die dat weet. Ik heb gesnuffeld in zijn Doka en vond foto’s en brieven. Ik hield het voor me, ook al omdat ik wist dat mijn gesnuffel niet deugde en ik dat aan niemand wilde bekennen. Ik hoorde zoiets natuurlijk niet te doen.
Jaren later is er een incident, vader wordt ‘betrapt’, en dan vertel ik het.
Dat ik er pas heel veel jaar later meer van begrijp en er anders over oordeel, daar ben ik wel blij mee en het leidt, lang na mijn vaders overlijden,  tot meer empathie en rehabilitatie. Toen niet. Er was alleen woede en haat.

 

Dood en Leven.
Het is 1970. Ik kom met mijn bromfiets achterom en zie dat mijn overbuurman in onze woonkamer zit. Dat kan maar een ding betekenen, en als ik naar binnen stap en we groeten elkaar, is het eerste dat ik vraag: ‘ Waar-is-ie?’  Even later ben ik met m’n bromfiets op weg naar St.Joannes de Deo, het ziekenhuis. Daar zie ik even later mijn vader. Hij ligt in een bed, omgeven door mijn moeder, ome Jan -zijn oudste broer- en anderen.  Mijn vader kijkt naar me en prevelt iets. Ik wil het niet verstaan, ik weet alleen nog maar dat ik een harde blik in mijn ogen had. Achteraf denk ik dat hij gezegd heeft: ‘Zorg goed voor je moeder’.  Vanuit de overlevering weet ik dat dat ook door zijn vader tegen hem gezegd is toen deze kwam te overlijden.

Na zijn dood woon ik samen met mijn moeder in het ouderlijk huis. Ik opgelucht en met een gevoel van ontspanning en ruimte. Zij met verdriet omdat zij hem mist. We verschillen daarmee in onze rouw. Ik voel geen rouw. Mijn moeder en ik, wij laten elkaar daarover met rust, ofwel, we zijn daar samen alleen.
Maart 1971 stop ik met de Pedagogische Academie Da Costa in Santpoort. Daar ben ik beland nadat ik door mijn vader in 1969 van de kweekschool in Beverwijk gehaald. Daar was een staking en de school lag plat. Op Santpoort pas ik niet. Het is me te braaf allemaal. Mijn vader sterft, ik raak wat aan het dolen en er is niemand op school die zich om mij bekommerd.  Ik word in maart 1971, ik ben dan net jarig en word 21,  op een slinkse manier door de directeur afgeserveerd.

Ik werk vervolgens zes verrukkelijke maanden als postbode in Santpoort. Ik loop wijk 10-de hondenwijk genoemd, vanwege de lange oprijlanen en de bijbehorende waakhonden. Mijnheer Scheffer is mijn baas, een aardige man in een blauwe stofjas. Natuurlijk werd ik een keer in mijn bil gebeten. Ik kocht bij Soellaart in Haarlem meteen een alarmpistool en dat schoot ik bij elke serieuze dreiging met honden in de wijk af. Nooit problemen mee gehad. Er was even een probleempje toen een collega het pistool leende, voorom het postkantoor in liep en ‘Overval’ brulde. Hij kreeg een uitbrander van Scheffer en ik kreeg gewoon mijn pistool terug.

Het was een mooie tijd. Bijkomen van alle emoties die er toch waren geweest, werk in een jofele club kerels en verder lopen, lopen, lopen. Voor thuis was het ook goed. Ik weet dat mijn moeder een keer met mijnheer Scheffer om een hoekie in de wijk is wezen kijken. Al met al heel gezond even.

In september 1971  begin ik in ziekenhuis St.Johannes de Deo met de opleiding tot verpleegkundige A. De eerste stap in mijn  loopbaan in de zorg.

Mijn moeder begint een nieuw leven, veerkrachtig als zij is. Cursus Engels, cursus boetseren, zingen bij Koor Katholiek Haarlem, reizen maken naar Indonesië en Israël. Sparen en gaan. Een flesje water uit de Dode Zee staat nog altijd bij me in de kast. Een geweldige tijd heeft ze.

Ik ga later op kamers in de Nic. vd Laanstraat in Haarlem bij dominee met emeritaat Oldeman. Hij is nu kunstschilder. Het huis is wat muffig, maar er valt iets van mijn kamertje te maken.  Ik doe de A-opleiding. Ik leer er erg veel, over mijn vak, over het leven, over mijzelf.

Enkele  – voor mij- leerzame anekdotes.

 

 

 

 

 

Via diverse leerzame relaties vestig ik me met de latere moeder van mijn kinderen in Nijkerk.

 

Doorbraak

Mijn moeder woont nog in ons ouderlijk huis in Haarlem. Ik ben bij haar op bezoek en zo ook mijn broer met vrouw en vrolijke kinderen. We zitten aan tafel, mama heeft eten gemaakt en dat is meestal eenvoudig, maar lekker en voedzaam. Mama is hardhorend. Dat zit in de familie, aan haar kant. Mama kan niet alles volgen van wat er aan tafel gezegd wordt. Wanneer zij op een gegeven moment vraagt wat er gezegd wordt dan houdt mijn broer haar behoorlijk voor de gek en zegt totaal iets anders, waarop er door de anderen gegiecheld wordt. Oma wordt voor de gek gehouden, en dat is wel lachen natuurlijk. Dat oma dat voelt en niet weet hoe zich op te stellen en stil wordt, zwijgt, en erover heen gaat met wat anders, tja. En ik ben zo weinig stoer om er ter plekke iets van te zeggen. Slappe knul. Maar het overvalt me en verbaast me ook, het gebeurt zo onverwacht. Ik ben meer met stomheid geslagen dat mijn broer dat doet en zo houdt, er plezier aan beleeft blijkbaar.
We kletsen wat verder. Want echte dingen worden er niet gezegd. En we houden het ‘gezellig’. Zoals altijd.

 

Later ben ik bij mijn moeder op bezoek. Ik woon in Nijkerk en dat betekent een behoorlijke autorit. En we praten samen wat, over koetjes en kalfjes. Zo komen we de tijd wel door. We praten wel, maar zeggen niks. Ik weet het onderwerp niet meer, maar ergens in dat gebabbel maakt mijn moeder een nogal normatieve opmerking over scheiden of iets dergelijks. Dat komt voor mij dichtbij, want ik ben getrouwd met een eerder gescheiden vrouw. Maar ik maak er geen botsing van, moeder is een oude vrouw nu, dus, laat nou maar. En een half uur later ga ik naar huis. Maar ’t zit me niet lekker.

Ik ben in Nijkerk terug en het zint me niet. Als dit het is, dan hebben we niet meer dan een kletspraatjes-kontakt. En behalve dat ik dat zonde vind van mijn inspanning qua tijd, kilometers maken, vind ik het nog het ergste dat je elkaar dan eigenlijk kwijt bent. Dus ik neem een besluit.

Haarlem. Ik ben weer op bezoek. ‘Mama, ik wil je wat zeggen. Eigenlijk wil ik dat je een keuze maakt. De vorige keer….’en ik vertel haar wat ik aan de vorige keer ervaren heb. ‘En de keuze die ik je wil voorleggen is dat het aan jou is, mama, of ik hier alleen maar kom om wat te kletsen of kom ik hier ook voor echt goede gesprekken en een echte ontmoeting, maar dan zeggen we ook alles oprecht tegen elkaar. En dan daarnaast lekker kletsen, want dan is er ook een fijne basis. Wat kies je?’

Daarop barst mama in snikken uit en ze zegt me dat ze graag echt wil praten. Ze zegt dat ze het weet, dat het zo vaak loopt, omdat ze bang is om alleen te blijven. En ze weet dat juist dat haar zo alleen maakt. Dus, kom maar, laten we ons uitspreken.

We hebben nog heel lang goede, echte gesprekken. Over alles. Met wederzijds respect, wederzijds aan- en invoelen.

Jaren later, zij is doof en blind geworden zitten we samen op een bankje in Finspong, een zorgcentrum voor de doelgroep van doof/blinden in Zeist. Tijdens onze eerdere gesprekken stelde ik regelmatig vragen over vroeger. Er zijn periodes waar ik weinig van weet wat er feitelijk toen in ons gezin aan de hand was, terwijl ik wel de effecten moet hebben gevoeld.  Haar miskramen,  een postnatale depressie en haar opname in een rusthuis, mijn verblijf bij een tante in België, mijn vader die met andere vrouwen….  Ik vraag haar weer eens naar die periode uit mijn vroegste jeugd, en het word plotseling stil naast me.

Na enige tijd stilzwijgen zegt ze: ‘Ron, zullen we afspreken dat dit jouw laatste vraag is over vroeger….?’ Zij wil er niet meer naar toe terug. Dit was het.
Leef de vragen. Nu is nu.
Einde verhaal.

‘Dat is goed, mama. Helemaal goed. ‘ En we zijn samen stil. ‘Ik hoor een merel’, zegt ze. En we genieten samen.