1 april

1 april.

Het is 1 april 1973. Mijn stage op de ambulance begint en ik word voorgesteld aan mijn chauffeur en collega van die dag. Men zegt mij dat mijn eigenlijke begeleider,
dhr. Huijer,  vandaag afwezig is door privé-omstandigheden en dat deze morgen komt.
Ik heb geen enkele ervaring met ambulance-werk, ben zo groen als gras. Het lijkt me reuze spannend. Deze stage van twee maanden maakt deel uit van de opleiding tot A-Verpleegkundige en is gepland ergens in het tweede leerjaar. We zijn dus met z’n drieën en er is plaats voor 2 voorin. Toch krijg ik een plek naast de chauffeur en de meer ervaren collega gaat op de stoel achter mij.

De dag begint met wat ritten voor patiënten tussen thuis en ziekenhuis en vice versa.

De eerste rit betreft het ophalen van een ‘kraamvrouw’ uit het ziekenhuis en haar transport naar huis.  Het betreft een vrolijke blozende volronde moeder met pasgeboren kind in de reiswieg. De ‘kraamvader’, op een leuke manier zichtbaar nerveus en bedrijvig, zegt met ernst in de stem: “Heren, ik heb slecht nieuws.  Wij wonen zeshoog in Schalkwijk en de lift is kapot. Dat wordt trappenlopen.”

Onze chauffeur en helper kijken elkaar aan en ik kijk om en om naar beiden: wat betekent dit voor ons…  Geen zorg. Het is 1 april, mijnheer maakt een grap.”
“Echt niet”, reageert papa, “ het is echt zo.” De chauffeur glimlacht.

Eenmaal bij de flat aangekomen blijkt de lift zowaar geheel Buiten Bedrijf te zijn. Zeshoog, twaalf trappen…..!  Met een  “Boven heb ik koffie” probeert de kraamheer de sfeer goed te houden.
“Allee, jij boven (chauffeur)  en jij onder, lange” , zegt de man van de ambulance. “Je wordt tenslotte ingewerkt”.

Het is een gigantische klus. Het smalle trappenhuis dwingt ons om steeds de brancard nagenoeg rechtop te zetten. De mevrouw houdt zich kranig. De ambulancemedewerker loopt doodgemoedereerd achter ons naar boven en moedigt ons met een  ‘nog effe doorzette….’  aan. Volkomen bezweet en afgepeigerd bereik ik de zesde verdieping en we helpen mevrouw in haar eigen bed.

“Bent u zo zenuwachtig?”, vraagt de kraamheer aan me, als ik m’n koffie en gebakje naar binnen probeer te werken, terwijl mijn armspieren zich een ongeluk schudden in een poging zich te herstellen van de tocht naar boven. En zo ben ik mijn eerste ervaring rijker

De man van de ambulance wordt de volgende dag door mijn eigenlijke begeleider volledig de mantel uitgeveegd. Hoe hij het in z’n hoofd haalt om een nieuwe onervaren onbedreven stagiair deze zware klus te laten doen en dan nog in de verantwoordelijke positie onderaan de brancard.

“Huijer”, stelt hij zich voor. Hij excuseert zich voor het gedrag van de collega en geeft me z’n eerste instructies over hoe ‘we’ het werk samen gaan uitvoeren. Binnen korte tijd voel ik me bij hem volkomen op m’n gemak. We zullen samen nog het nodige meemaken deze twee maanden.

Wordt vervolgd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *