En datte we toffe jongens zijn….
Het is zomer en ik werk als verpleegkundige in een regionaal woon/zorgcentrum. Ik geef normaal trainingen in de zorg, ook hier, maar in de zomer is daar geen vraag naar. Om zo’n periode te overbruggen ben ik weer te zien in de praktijk. Dat vind ik heel plezierig. Ik houd van het werk en heb graag contact met de bewoners van zo’n zorginstelling. Jarenlang was ik theorie-docent in het vak verpleegkunde, maar in mijn hart ben ik praktijkmens.
Vandaag stap ik de kamer in van mevrouw Hoebert. Ik ken haar nog niet goed. Ik heb me eerder al wel voorgesteld, haar verteld wie ik ben en wat ik kom doen in deze periode.
Zij lijkt me een aardige vrouw, zo begin tachtig. Ik kom haar ruimte binnen, zeg haar goede morgen en doe op haar verzoek de gordijnen wat open. Het valt me op dat ze haar kamer zorgvuldig en harmonisch ingericht heeft. De kleuren kloppen, de meubels staan op een aangename plek, alles fijn op orde. Nadat ik haar verzorgd heb, wat zij deels zelf nog heel goed kan, ruim ik de dingen in de kamer wat aan kant. Zij doet ook haar ding wat betreft haar uiterlijk. Er is rust. We zijn allebei bezig. In de stilte die ontstaat hoor ik haar opeens wat neuriën. Het neuriën gaat over in een zachte zang, zonder woorden, na na na…Ik herken de melodie. Het is ‘en datte we toffe jongens zijn’…. Dat ken ik.
Ik vind het altijd mooi om bij iemand ‘in te voegen’ en daardoor aan te sluiten. Dus ik na…na…na mee en breng wat ritme in het vrolijke melodietje.
‘Dat is een bekend liedje.’ zeg ik. ‘Vrolijk.‘
‘Ja…..’ reageert ze, wat aarzelend.
Ik wacht even, voel van binnen wat ik hieraan hoor en zeg: ‘Nou, als ik u goed hoor dan is het niet echt vrolijk?’
‘Nee, nou, dat is een heel verhaal’, zegt ze, terwijl ze me aankijkt met een blik waaruit ik lees ‘ik zou het je wel willen vertellen, maar daar heb je toch geen tijd voor’. ‘Dat zou ik wel fijn vinden, mevrouw Hoebert. Dan kom ik even bij u zitten, want met m’n twee meter lengte moet u zo omhoog kijken ….. Is dat goed?’ Ze knikt verrast. Ik pak een stoel. Mevrouw Hoebert zit op de rand van haar bed.
Zij vertelt me haar verhaal. En nu ik dit opschrijf ontroert het me opnieuw. Het is haar betekenisvolle drama dat haar hele leven vult en vormt.
Het is 1945, de dag na de Bevrijding. Haar zoontje Nico speelt buiten met zijn vriendjes op het veldje. Ze spelen ‘optochtje’ en lopen in slierten achter elkaar aan. Ze zingen schaterend ‘en datte we toffe jongens zijn’. Nederland is immers vrij! Om zichzelf op te tuigen pakken ze wat rommel van het veld op en hangen dat om hun nek of lopen ermee te zwaaien. Zo ook Nico. Hij vindt een versleten leren gordel met wat voorwerpen erin en hangt dat om z’n nek terwijl hij achter de horde aanrent. En dan gebeurt het. De gordel ontploft. Het blijkt een granaat.
Ze snikt. De sterke vrouw die bij me zit laat me haar gebrokenheid zien. Ik neem haar hand in de mijne. Geen woorden. Alleen de aanraking. Er komt nog meer, zie ik.
‘Het mooie is dat Nico nog steeds voortleeft. Ik heb meer kinderen. En die kinderen kregen kinderen. En in alle namen van die kinderen komt iets van Nico terug. Ze kregen namen als Nico, Nicolette, Nicole, Niels, Co, Nikkie, … Zo lief….’
Ze laat me een foto zien van haar met haar familie. Ze staan er met z’n allen lachend op. En de lach is echt, dat zie je.
We bedanken elkaar, voor het luisteren, voor het vertellen, voor het delen. Voor mij is ze het levend voorbeeld van hoe mensen iets bar-ellendigs kan overkomen en dat je dan toch je kracht vindt, in jezelf en om je heen, om je leven er niet door kapot te laten maken, maar je pijn weet te transformeren in een bron van kracht en liefde. Om uit de puinhoop te verrijzen en iets van betekenis te creëren. Chapeau!