Geloof het of niet

Geloof het of niet.

Het is december 1976 als Pieter Menten wordt gearresteerd voor oorlogsmisdaden in Tweede Wereldoorlog.
“Hem grijpen ze wel, en mij laten ze lopen”, zegt Jan, een patiënt die we eerder die week hebben opgenomen. Jan is alcoholist met beginnende Korsakov. Nader onderzoek wijst uit dat hij een dubbele maagresectie heeft ondergaan en nagenoeg geen maag meer over heeft. Dat hij per dag een potje sambal leeglepelt roept dan ook de nodige bezwaren op. Verder is Jan een stevige roker en roken is in deze tijd nog op de afdeling toegestaan, voor de patiënt alsook voor de medewerker.
Jan zegt oorlogstrauma’s te hebben opgelopen en te hebben gediend in Vietnam als veteraan. Hij trilt helemaal als hij dit soort zaken vertelt.

De psychiater geeft aan dat hij het wel goed zou vinden als Jan een vast praat-uur krijgt met een hulpverlener en mij wordt gevraagd dit te behartigen. Ik stem toe. Hij boeit me wel, ik vind zijn persoonlijkheid best intrigerend.
Ik hoor verschrikkelijke verhalen aan, over mishandelingen waaraan Jan als kind wordt blootgesteld. Als kind met z’n voetjes in gloeiend heet water gezet door z’n vader, als hij stout geweest was. Veel geslagen om het minste of geringste. In het Vreemdelingenlegioen werd hem opgedragen met een peloton een kameraad dood te schieten, die door de krijgsraad veroordeeld werd wegens verzaken van zijn plicht. Hij deed dat ook en verdween later uit dat leger door zichzelf in zijn been te schieten. Dan mocht hij tenminste naar huis. Hij laat mij het litteken daarvan zien. Het ziet er allemaal behoorlijk echt uit.

Ik voel me goed als ik me realiseer dat Jan me die verhalen en die emoties toevertrouwt. Zo heeft Jan met nog enkele hulpverleners goed kontakt. Op de afdeling vermaakt hij zich met een potje biljarten, wat kaarten, lezen, tv kijken en vooral veel roken. We luisteren ook regelmatig naar uitzendingen over de arrestatie van Pieter Menten.

De psychiater, een nog jonge pas afgestudeerde man, heeft het niet zo op met hem. Hij vertrouwt het niet, al die verhalen en toestanden. En dat is wat er gebeurt: er ontstaat tweespalt in het team. De ene groep gelooft Jan, de andere is het eens met de psychiater en diens meer gereserveerde houding. Ik sta aan de zijde van Jan. Ik beluister zijn verhalen, hij vertrouwt me van alles toe. Ik heb geen reden om te twijfelen.

Jan geeft aan wel eens met verlof te willen. Zegt een broer te hebben.  De psychiater gaat akkoord, mits we een keer kontakt met die broer kunnen hebben.

Opeens geeft de psychiater aan dat hij Jan heeft aangemeld voor, noem het maar: Groot Overleg. Dat is een overleg waarin alle psychiaters van de instelling zitting hebben, onder leiding van de Hoofdpsychiater, de chef de clinique, ofwel de geneesheer-directeur.  Daar wordt iemand compleet doorgelicht en besproken, en soms ook gesproken. Ik zit in nachtdienst en ben tijdens de eerste ochtenduren aan het doorzakken in een met wierook doortrokken omgeving. Ik word gebeld. Het is vanmorgen, over een half uur en ik mag erbij zijn. Ik ga, natuurlijk.

Met enig medelijden met de persoon die naast me zit, en die dus de wierook meekrijgt, hoor ik de geneesheer-directeur aan. De man waarvan ik weet dat ie regelmatig wordt  betrapt bij het zingen van sinterklaasliedjes achter de gesloten deur van zijn spreekkamer….

Lang verhaal kort: Jan wordt als levensgevaarlijk voor de instelling beschouwd. Psychopaat van de eerste orde, met Pseudologia Fantastica. Ofwel de gave om als waarheid klinkende verhalen op te dissen, die intussen bij elkaar gefantaseerd zijn.
In een ander ziekenhuis heeft hij de nodige stampij veroorzaakt. Plan van aanpak: bij de eerstevolgende mogelijkheid:  weg met die man.
Ik ga met gemengde gevoelens naar bed. Na te hebben gedouched natuurlijk. Wierook hè?

Jan zegt dat zijn broer geweest is. Er was inderdaad iemand gesignaleerd in de avond. Ik vraag hem of hij zijn broer heeft doorgegeven dat deze in kontakt moet met het team wil Jan naar huis kunnen. Verdikkeme, vergeten. Stom van hem.

Jan heeft ‘vrij wandelen’ op het terrein. Zijn sigaretten zijn op. De interne bank is gesloten.
Jan vraagt de leerling om 25 gulden te leen uit de kas, om sigaretten en wat lekkers te kunnen kopen. Dat wordt hem gegeven. We zien hem nooit meer terug.

Epiloog:  de ‘ broer’  blijkt iemand van het Leger des Heils geweest te zijn, waar Jan regelmatig onderdak kreeg. Die persoon werd gesproken en hielp veel van ons uit de droom. Alles was verzonnen en gespeeld. Zwaar alcohol-verslaafd, psychopatische persoonlijkheid, iedereen tuinde er steeds weer in, etc. Dat van die maagresectie klopte wel en dat van de sambal ook. Jan gaat gewoon binnenkort dood, zei de man. De zienswijze van de jonge psychiater bleek geheel correct. Ik heb mijzelf betrapt op de – behoefte zelfs – om Jan te geloven. Ik gunde hem het vertrouwen en de ruimte om te worden gehoord. Ik gunde mijzelf de uitzonderingspositie van de Betrouwbare Luisteraar. Iets dat dan natuurlijk ook alles over mijzelf zegt, wat ik later ook uitgewerkt heb.

Teamleider Hans roept ons bij elkaar. Hij zegt het expres te hebben laten gebeuren. Hij wist het al langere tijd. ‘Je leerde een les voor je leven’, zegt hij.

En dat is ook zo. Dankjewel, Hans Kroos. Ik vertrouwde je en je hebt het niet beschaamd.

Met enige trots nam ik later de beoordeling van mijn Verpleegkundig Verslag over dit proces in ontvangst. Een 10. En de aantekening: haast journalistiek.