Lagere School De Periode
Het is 2023 als Frans, José en ik naar Haarlem gaan. We doen jaarlijks met elkaar een Stedentocht. Bezoeken gedenkwaardige plekken, een museum, eten gezellig ergens en praten onderling wat bij over hie het ons nu gaat. Deze keer is het Haarlem, waar een groot deel van onze gezamenlijke geschiedenis ligt. We lopen in Haarlem-Noord en gaan langs onze Lagere Scholen of wat er al of niet van over is. Elk van ons heeft verhalen en herinneringen aan zijn of haar school. Op een gegevn moment komen we langs de Kardinaal de Jongschool. Het gebouw staat er nog en doet nu dienst voor een ander soort opleiding. Omdat het een doordeweekse dag is zouden we naar binnen kunnen en ik krijg die vraag van José, maar iets in mij wil dat helemaal niet. Het voelt onaangenaam. Het bezorgt me een oud, verdoofd gevoel. Zo van: ik heb daar nooit willen zijn.
Er zijn een paar foto’s uit die tijd, maar super weinig. Ik herinner me een foto dat ik met een klasgenootje in het zand voor de in aanbouw zijnde school zit te spelen. Het is Rudi Walkotte en we zitten allebei in de tweede klas bij juffrouw Gemke. Dat moment staat ook in mijn geheugen gegrift, waarschijnlijk ook met hulp van die foto. Ik herinner me dat Rudi verdrietige sfeer om zich heen droeg. Zijn vader was overleden. Het zal rond 2015 geweest zijn dat ik ene Ruut Walkotte op Facebook tegenkom. Ik maak kontakt met hem en stuur hem de foto. Hij is het. Wij zijn het. We hebben nog steeds kontakt via Facebook. Erg leuk. Hij woont zijn hele leven lang al in Haarlem, in dezelfde straat als vroeger.
Verder herinner ik me Jan Kooper, een vriendje van me weliswaar, maar ook dat hij mij ongenadig behoorlijk in mijn maag stompte toen hij mij blijkbaar irritant vond. Ik zal het bverdiend hebben.
De Zwarte Pieten op het dak van de noodbouw, waarbij ik toch echt een wiite hand in die zwarte zandschoen zag, potverdorie!
Hoofdmeester Houthuijsen die jarig was en elke klas rond ging om kadootjes op te halen en waarbij ik het gewaagd had wat luciferkoppen in de kado-sigarettten te steken. Hij kwam later in de klas verhaal halen en wilde weten wie dat op z’n geweten had. Toen ik uiteindelijk mijn vinger opstak zag ik de zogenaamd boze, maar vooral verbaasde blik in zijn ogen. Achteraf reflecterend en fantaserend denk ik dat hij het eigenlijk heel tof gevonden moet hebben dat dat brave, wat kleurloze, jongetje Overtoom dat ‘gedurfd’ had. Dat had hij niet verwacht.
Een sterke herinnering is het verhaal rondom Nolly Rootlieb. Eén van mijn vriendjes van de eerste klas. We zaten toen op de Bavo-school. Komt ie:
Het is september 1956 en ik ga op school, de St.Bavo Lagere school in Haarlem, waarvan ik later besef dat mijn broers, Ton, Ruud en Frans, me daar voorgingen.
Mijn juf is mevrouw Kampmeier. Een kleine, rondborstige, vriendelijk ogende moeke.
Ze is heel geruststellend, aardig en betrouwbaar. Ik voel me bij haar op m’n gemak.
In november wordt Nolly Rootlieb, een roodharig jochie uit mijn klas, overreden bij het oversteken van de Rijksstraatweg, als daar de stoet van Sinterklaas aan komt rijden.
Hij overlijdt.
We zijn allemaal erg aangeslagen en geschrokken. Nolly krijgt een ‘engelenmis’. Daaraan voorafgaand gaan we met de hele klas in een stoet naar zijn huis in de Vogelenbuurt. Hij ligt opgebaard links in een hoek van de huiskamer en ik zie zijn moeder rechts staan. Rood haar en heldere blauwe ogen. Zo blauw als ik die later zou zien in de film van de Titanic.
Wat ik toen nog niet kon vermoeden is dat ik haar later zou opzoeken. Daarover later meer.
Nolly wordt begraven op het kerkhof van de O.L. Vrouw van Zeven Smarten kerk in Noord, en hij ligt vlak bij mijn opa Bijrij, vader van mijn moeder, die in 1953 overleed.
Door het toenemende aantal kinderen na de oorlog in Haarlem Noord wordt er een nieuwe school gebouwd, de Kardinaal de Jongschool aan de Jan Gijzenkade. Een heel stel jongens van de St.Bavo Lagere School moeten over naar die school. Ronnie Overtoom ook. Ik vind het geen fijne overstap. We belanden in de noodbouw, want de echte school is nog niet klaar. De juf van de eerste klas gaat niet mee. Er is niks vertrouwds. Meester Houthuijsen is het schoolhoofd. Een forse, lange, vaak boos-kijkende man met een kop zwart haar en grote tanden.
Ik denk dat we in het begin van de tweede klas even een inval-juf hebben gehad. Op een gegeven moment komt meester Houthuijsen de klas in en hij spreekt ons ernstig toe. Hij vertelt ons dat we juffrouw Gemke krijgen. Juffrouw Gemke is lange tijd ziek geweest en komt nu weer terug. En wee ons gebeente als wij haar weer ziek zullen maken…..!!! Dan zwaait er wat, dat kan je aan de meester met z’n boosaardige ogen wel zien. Juffrouw Gemke wordt gepresenteerd. Zo te zien is er niet veel voor nodig om haar ziek te maken: een grijze, grauwe, magere vrouw met ook al grijsgrauwe spillebeentjes, een veel te grote bril op het vaalbleke hoofd en enkele lokken dun grijs haar. Ik zit op de eerste rij voorin, vlakbij haar, het is dus oppassen geblazen.
We komen het jaar heelhuids door. Maar ik leer daar de boodschap: je wordt mede-verantwoordelijk gehouden voor de gezondheid (en mogelijke versnelde dood?) van een kwetsbare oudere, dus: dimmen! Inhouden! Aanpassen!
Ik heb op school geen leuke jaren. De derde klas is voor meester Thom Snijders. Een bravoure-mannetje, die het vooral leuk vindt om zijn stoel op de lessenaar te zetten en zo zijn volk te overzien en te imponeren. Hij kan wel aardig voorlezen, maar ik zit al in mijn schulp sinds het begin van de tweede, bij Gemke en ik kom daar zo ook niet meer uit.
Vierde klas. Ton Stevens. Een klootzak van de eerste orde. Hij gooit borstels en krijtjes naar z’n leerlingen en kan heel gemeen doen en kijken. Hij trekt je aan je oren voor de klas en dat is behoorlijk pijnlijk. Mij spaart hij ook niet. Ik schrijf per ongeluk ‘trug’ in een opstel, in plaats van ‘terug’, en word voor de klas voor joker gezet. Doordeweeks is hij mijn meester en in het weekend is hij mijn a.s. zwager. Ja Ans, mijn knappe oudste zusje, is favoriet bij sommige meesters op school. Ze gaat zo’n drie jaar met me mee zowat: Snijders bla bla vindt haar aardig, Stevens wordt haar verloofde en Loek Garsten, meester van klas 5, informeert regelmatig en blozend bij me en, naar hoe ik de signalen nu als volwassen man kan interpreteren, hij lijkt verkikkerd te zijn op haar, maar ja, ze valt op Stevens. Garsten was best een aardige en warme man. Keuzes…
In de door mij bewaarde schoolrapporten kun je waarnemen dat het mij minder goed gaat vanaf klas 4. Ik heb niet de indruk dat het ook maar iemand is opgevallen en dat het vragen opgeroepen heeft over de positie waar ik in zat. Niemand heeft zich waarschijnlijk afgevraagd in hoeverre het gepast is om de verloofde van mijn zus mijn schoolmeester te laten zijn en of ik daar last van had de ja of de nee.
Later, het is nu 2026, als ik de beschadigingen, die ik in mijn leven heb opgelopen, onder de loep neem en ze uitspreek krijg ik de reactie: Ja, dat was toen gewoon zo….Alsof het daarmee gladgestreken zou moeten en kunnen worden. Voor mezelf is dit een moment waarop ik het kind in mij begrijp dat zegt: ik word – alweer- niet gezien. Zulke opmerkingen van anderen worden gemaakt vanuit de ratio, vanuit een rationeel weten dat het niet opgelost kan worden. Ik weet ook wel dat het ’toen’ niet zo was en dat een kind dat niet hoefde te verwachten van zijn ouders, maar daarmee is het nog wel een eenzaam en verdrietig deel van me.
Het hoeft ook niet opgelost te worden. Maar wel erkend! Met een onderstreping van hoe dat gevoeld zal hebben en soms nog voelt. ‘Klote voor je, eigenlijk. Je was daar verdomd eenzaam.’ Zulke woorden zouden voldoende zijn om een brug te slaan.
Het gegeven dat Stevens tegelijk verloofde en meester was kan zelfs door mijn ouders als ‘heel voornaam’ zijn beleefd. Een meester was niet niks.
Zijn aanwezigheid bij ons in huis voelde unheimisch. Hij kon, om te demonstreren dat hij ook wel gewoon met me kon spelen, me achtervolgen op de trap. Ik herinner me zijn blik, ook toen hij mijn afwijzing opmerkte. Verbolgen was hij, koud. Dat mocht ik op school dan weer ontgelden.
Ik herinner me een moment dat ik absoluut niet naar school wilde. Mama wist ook niet wat ze met me aanmoest en liet me de hele school-ochtend op het muurtje van de bloembak voor ons voorraam zitten. Ik heb daar uren stil in m’n eentje zitten zitten. Maar alles beter dat naar die school moeten.